Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14

DE STAAT VAN KAREL V.

Friesland was nog een algemeene naam voor de lage kuststrook van de Schelde tot den Wezermond. — Dirk III neemt in 1015 bezit van een drassige streek aan den benedenloop der Merwede (oudtijds ook de naam voor de wateren die thans de Noord en de Nieuwe Maas heeten), waar hij een burcht bouwt (te Vlaardingen) en tol heft; later wordt dit bezit uitgebreid tot de streek hooger op aan de Merwede, waar Dordrecht ontstaat (dat voor de eerste maal genoemd wordt in 1049). Naar den naam van deze laatstgenoemde streek, Holland (= broekland?), hebben de latere graven hun graafschap genoemd; het is Dirk V die op het eind der 1 lde eeuw het eerst als comes Hottandiae voorkomt. Maasland, Rijnland, Kennemerland heeten voortaan Noord-Holland, het oorspronkelijke Holland heet weldra Zuid-Holland. — Al sedert de 10de eeuw hadden de latere graven van Holland bezittingen op Schouwen. Van de Zeeuwsche eilanden (onder den naam Zeeland zijn dan tevens de tegenwoordige Zuidhollandsche eilanden begrepen) zijn die beooster-Schelde spoedig aan hun gezag onderworpen geweest; over die bewester-Schelde (Walcheren, Noorden Zuid-Beveland, Borselen en Wolfaartsdijk) voerden zij een langen strijd met de graven van Vlaanderen, die eerst in 1323 voor goed ten voordeele van Holland werd beslist, toen de graaf van Vlaanderen deze eilanden in vollen eigendom aan Willem III van Holland afstond. Intusschen had Floris V reeds den titel aangenomen van graaf van Holland en Zeeland. Dezelfde graaf heeft eindelijk de Westfriezen geheel onderworpen, en zijn land ten koste van het bisdom Utrecht vergroot, door leenmannen van het Sticht, de heeren van Amstel en van Woerden, te noodzaken hun land aan hem over te leveren om het daarna van hem in leen te mogen houden, en door den bisschop te dwingen tot afstand van Oudewater, Bodegraven, Muiden, Weesp en Diemen. Naarden had hij te voren van de abdij Elten aangekocht. In 1357 is nog het tot Brabant behoorende Heusden bij verdrag aan Holland overgegaan.

Een dergelijke geschiedenis hebben de andere Nederlandsche leenstaten gehad. Tegen het eind der 12e eeuw zijn de grenzen der tegenwoordige Belgische en Noordnederlandsche provinciën reeds vrij goed te herkennen. In het Zuiden zijn twee machtige enbloeiende staten gelegen, de andere in ontwikkeling ver vooruit: het graafschap Vlaanderen, leen der Fransche kroon, en het hertogdom Brabant; — verder een bisdom, zeer verspreid aan beide

Sluiten