Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OORSPRONG VAN DEN STAAT.

19

lost te zijn droeg in 1528 de bisschop van Utrecht de temporahteit of het wereldhjk gebied zijner landen aan den Bourgondiër op; in 1536 erkenden hem stad en ommelanden van Groningen voor heer. In 1538 stierf Karei van Gelder; een veldtocht van Karei V was noodig»om den erfgenaam, Willem van Gulik, van Gelder en Zutfen te doen afzien. Op Luik na waren nu alle Nederlanden onder één heer.

Doch hiermede was het doel der dynastie niet bereikt; zij wilde haar bezit afronden en nog veel grooter maken. Had zij in deze richting voort kunnen arbeiden, zij zou groote kans hebben gehad een aanzienlijk Nederduitsch rijk te stichten: Gulik, Kleef, Bentheim, Lingen, Oostfriesland lagen ter aanhechting als gereed, spoedig wellicht ook Munster en Keulen. Er was aan gene zijde van die landen geen rijk in opkomst dat hen aan het Bourgondische zou hebben kunnen betwisten, en geen verschil in volksaard, taal of beschavingstoestand zou toen nog hebben verhinderd dat Oostfriesland evengoed met de Bourgondische bezittingen samengroeide als het reeds onderworpen Friesland, Munster evengoed als het Oversticht en Zutfen, Gulik en Kleef evengoed als Gelder. Reeds erkende de stad Jever, bevreesd voor de aanspraken der graven van Oostfriesland, den „hertog van Brabant" als heer (1532). De gelegenheid zou telkens moeten zijn afgewacht (zooals Filips de Goede en Karei V hadden gedaan voor de andere gewesten), maar zij ware voor ieder der genoemde landen wel voorgekomen; zoo voor Gulik, Kleef en Berg bij het openvallen der erfenis in den aanvang der 17de eeuw. Van Luik ware te eeniger tij d de temporaliteit te verkrijgen geweest gelijk van Utrecht. De opstand heeft aan onze dynastie de middelen benomen om voor dit doel te arbeiden, en bij de opstandelingen een ander ideaal voor dat der dynastie in de plaats gesteld.

Literatuur. — Algemeen: Waitz, Die Verfassung des jrdnkischen Reichs (deelen II en III der „Deutsche Verfassungsgeschichte", 2« druk, Kiel 1882—'83); Vioixet, Hist. des institutions politiques et administratives de la France, I (Paris 1890). — Gouwen op Noordnederlandsch gebied: van den Bergh, Handboek der Middel-Ned. Geographie) 1852; tweede druk, 1872), onnauwkeurig; later: Fockema Andreae, Rechtsmacht en Rechtsvorming (Haarlem 1900), 40 (over de gouwen en graafschappen tot het jaar 1Q00); Piot, Les Pagi de la Belgique (Bruxelles 1874) houdt zich niet met Noord-Nederland bezig. — Immuniteiten, heerlijkheid, de graaf-ambtenaar en de graaf-lands-

Sluiten