Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

22

DE STAAT VAN KAREL V.

tenrijk, Keizer. Als hoofd des Rijks stond hij de rijkshervorrning voor, als voogd over den jongen Bourgondiër wilde hij diens gebied gaarne in het genot der bestaande zelfstandigheid laten. In 1495 op den rijksdag te Worms kwam een rijkskamergericht tot stand en werd een verdeeling aangenomen in zes kreitsen, de Frankische, Beiersche, Zwabische, Rijnsche, Wetsfaalsche en Saksische. Zoowel de Oostenrijksche als de Bourgondische erflanden bleven buiten deze verdeeling; in beide zou Maximiliaan zelf voor de handhaving van den landvrede zorg dragen. De niet-Bourgondische Nederlanden (Friesland, Gelder, Utrecht, Luik) werden bij den Westfaalschen kreis ingedeeld. Zoowel deze gewesten echter als de Bourgondische maakten bezwaar, den voorgeslagen gemeenen penning aan het Rijk op te brengen. In 1512 werden de Bourgondische en Oostenrijksche erflanden als Bourgondische en Oostenrijksche kreitsen in de verdeeling opgenomen, doch in den feitelijken toestand kwam daardoor geen verandering; vóór noch na de opneming hebben deze landen een penning aan het Rijk betaald. In 1521 is, ten gevolge van weer een nieuwe regeling, eindelijk een bestuurscollege, rijksregiment zooals de naam luidt, opgericht, en is het rijkskamergericht hervormd, doch de Bourgondische landen zonden er met opzet geen vertegenwoordigers bij, en toen. Holland in 1526 door Utrecht voor het kamergericht gedaagd werd, weigerde het te verschijnen. Na den overgang van Utrecht en Gelder aan Karei V gaf het tot verwikkelingen aanleiding, dat deze nieuw-Bourgondische gewesten, als leden van den Westfaalschen kreits, tot het Rijk in andere verhouding stonden als de van ouds Bourgondische, die in 1521, hoewel nog op een bijdrage in de kosten van rijksregiment en rijkskamergericht gesteld, weder buiten de laeitsindeeling waren gelaten. Karei V wilde deze ongelijkheid opgeheven hebben door onttrekking van Utrecht en Gelderland aan den Westfaalschen kreits. Dit had lange besprekingen voor den rijksdag ten gevolge. Het Rijk wilde de Nederlanden niet loslaten, en de Nederlanden wilden hoogstens tegen het hen gedurig aanvallende Frankrijk eenige aanspraak hebben op rijkshulp, maar veel wilden zij er niet aan opofferen, want het hoofd des Rijks was hun eigen landsheer en had bij hun behoud reeds genoeg belang. De landsregeering te Brussel (de landvoogdes' Maria van Hongarije en haar raadslieden, Viglius en anderen) stond met ijver de zelfstandigheid der Nederlanden

Sluiten