Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

24

DE STAAT VAN KAREL V.

het opbrengen van hun aandeel, kunnen zij gedaagd worden voor het rijkskamergericht te Spiers, nimmer uit anderen hoofde. Alleen de landsheer mag zich op den rijksdag doen vertegenwoordigen; de bizondere banieren worden afgeschaft. — Op uitdrukkelijk verlangen des Keizers werd dit verdrag in de Nederlanden, gewest voor gewest, goedgekeurd en bezegeld.

Neemt men in aanmerking dat de keurvorsten, wier landen nimmer in de laeitsindeeling begrepen waren geweest, en die in alles een zeer bevoorrechte positie innamen, ieder niet meer dan anderhalven gulden van elke honderd opbrachten, en dat de Nederlanden met Franche Comté er bij dus drie ten honderd zouden bijdragen, dan is het verdrag al zeer weinig bezwarend te noemen. Met dat al bleef het opbrengen ook van deze geringe lasten hier zeer impopulair. In de eerste jaren zag Karei toe dat het geschiedde (zoo heeft b.v. Brabant in Mei 1552 aan het Rijk 60.000 carolusguldens opgebracht), maar men had hier niet het gevoel, dat men er iets voor terug ontving. De vrijheid, die bij het verdrag gewaarborgd was, had men immers sinds lang bezeten. Naar aanleiding van een beroep van Brabant op de gouden bul van keizer Karei IV, waarbij het verboden was een Brabander buiten het hertogdom te arresteeren (hetgeen te Dordrecht met Brabantsche koopHeden op verzoek van Zeeuwsche schuldeischers was geschied), hielden Holland en Zeeland nog na het verdrag van Augsburg vol, dat zij vanouds niet tot het Rijk behoord hadden en zich aan geen rijkswet hadden te storen. Karei V deed 18 Maart 1550 uitspraak en stelde wat de arrestatiebetreft, HoUand en Zeeland in het gehj k, met afwijzing echter der gronden die van hunne zijdewaren aangevoerd.

Aan den anderen kant was het Rijk ontevreden over de afgedwongen schikking en nam in 1555, toen Karei niet langer te vreezen was, het besluit dat de bescherming van het Rijk alleen kon worden verleend aan die landen, welke zich aan het kamergericht onderwierpen; een dubbelzinnig besluit, dat bHjkbaar genomen werd om zich aan de verpHchting tot bijstand tegen Frankrijk te onttrekken. Zoo bleven in waarheid de Nederlanden met veel losser band aan het Rijk verbonden, dan de woorden van het verdrag van 1548 zouden kunnen doen vermoeden. Nadat Keizer Ferdinand in 1562 zijn zoon MajamiHaan tot Roomsch-koning had doen verkiezen in plaats van — zooals Karei V in 1548 gehoopt had — zijn neef Füips, stelde ook onze vorst op de instand-

Sluiten