Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

32

DE STAAT VAN KAREL V.

een verandering noodzakelijk acht. Het Nederlandsche gebied wordt aan het toezicht van vreemde aartsbisschoppen onttrokken op kleine uitzonderingen na: Luik behoudt nog iets van zijn diocees buiten het werddlijk gebied van den bisschop; de niet zeer uitgebreide rechten van Munster en Osnabrug worden voorloopig nog niet aangerand. Het overige wordt naar het verschil in landaard in drie aartsbisdommen afgedeeld, een Waalsch (Kamerijk), een Vlaamsch-Brabantsch (Mechelen), een noordelijk (Utrecht). Onder Kamerijk ressorteeren de bisdommen Atrecht, Doornik, Namen en St.-Omer; onder Mechelen: Antwerpen, Gent, Brugge, Ieperen, den Bosch, Roermond; onder Utrecht: Haarlem, Deventer, Leeuwarden, Groningen, Middelburg. De benoeming (ius nominandi) komt aan den landsheer, met opheffing van hiermede strijdige rechten (hetzelfde dus wat Frans I van Frankrijk in 1516 had verworven); de bevestiging (ius instituendi) verblijft aan den Paus. Dit was een groote ma<±tsuitbreiding voor den landsheer, die zich nog slechts alleen voor Utrecht van het recht van benoeming had weten meester te maken, bij den overgang in 1528. Daarvoor moet hij nu echter ook voor de dotatie van ieder bisschop zorg dragen. De grensbepaling van elke diocees was hem overgelaten. Dit en het vinden der dotatiën droeg Filips aan een commissie op, waarin Granvelle en Viglius zitting hadden.

De bisschoppen hadden steeds op grooten voet geleefd en hun geld getrokken uit de domaniale rechten en bezittingen. Om nu aan zooveel nieuwe bisschoppen een inkomen te bezorgen, moest men de rechten en bezittingen van anderen aantasten en koos daartoe die der abten, meest jongere leden van eenig adellijk huis. Eerst had men van de inkomsten der geestelijken belasting willen heffen ten behoeve van den bisschop, maar de abten kantten zich daar sterk tegen. Nu besloot men, den bisschop zelf abt te maken van een of andere rijke abdij in zijn diocees; de bisschop-abt zou dan zijn abtelijke functie doen waarnemen door een prior. Zoo kreeg Granvelle (die aartsbisschop van Mechelen, kardinaal en „primas" der Nederlandsche Kerk werd), de abdij van Afflighem; de bisschop van Middelburg de abdij van Middelburg; die van Haarlem de abdij van Egmond. De abten die thans in het genot der inkomsten van deze abdijen waren, mochten die echter tot hun dood behouden.—Dat Luxemburg buiten de organisatie werd

Sluiten