Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MACHT VAN DEN LANDSHEER

35

blicae Baiavicae (1610). Zij is eveneens te vinden in zijn Parallelon rerumpublicarum (ed. Loosjes, 1801—'03).

De eersten die hier tegen opkwamen waren Kluit en Pestel, maar zij vervielen in een andere fout. Tegenstanders van de leer der onbeperkte vollcssouveremiteit zooals die in hun dagen opnieuw veld won, maakten zij uit dat de volle souvereiniteit bij den landsheer berust had, en dichtten dien landsheer rechten toe die deze nimmer heeft uitgeoefend.

Recht houdt verband met macht. Het recht van den landsheer was beperkt doordat zijn macht beperkt was. Wij moeten onderzoek doen en vragen: welke rechten heeft de landsheer inderdaad doen gelden?

Simon van Slingelandt ging ons hierin voor, in zijn Verhandeling van de oude regeering van Holland onder de Graaven (geschreven in 1716, gedrukt in 1784), een studie die geheel op oude documenten berust. Volgen wij dezelfde methode, dan blijkt al spoedig de moeilijkheid om te spreken van den landsheer in het algemeen: het verschil van toestanden in de onderscheiden provinciën is zeer groot. Wij bepalen ons hier tot Holland-Zeeland en Gelderland, en merken dan het volgende op:

I. De vorst bezit wetgevende macht: hij vaardigt ordonnantiën uit, die later den naam dragen van plakkaten. Doch deze wetgevende macht is zeer beperkt;

a. door het recht dat reeds bestaat en dat de vorst bij zijn inhuldiging gezwpren heeft te zullen eerbiedigen. Zoo zwoer Füips in 1549:„dat ick aüe der edelen, steden, gemeenten ende onder-

saten privüegiën en vryheden, by mynen voorsaten hen (die

van Hoüand) verleent, en voorts heure gewoonte, herkomen, usan-

tiën en rechten, die sy nu hebben en gebruyckèn, sal wel en

getrouweüjcken houden ende doen onderhouden." Van rechten „van ouden herkom" wordt haast niet afgeweken in de grafelijke tijden;

b. door de noodzakelijkheid om voor elke ingrijpende nieuwe wetgeving de toestemming te vragen der onderdanen, aanvankelijk aüeen van den hoogeren adel, maar reeds onder het Henegouwsche huis ook van de voornaamste steden. Is de voorgenomen wijziging of toevoeging den landzaten te onaangenaam, hij zou geen macht genoeg hebben hun verzet te fnuiken;

c. al vroeg heeft de vorst aan de groote steden het recht moeten

Sluiten