Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

36

DE STAAT VAN KAREL V.

geven keuren te maken, binnen zekere maat haar eigen recht te kiezen. Die maat is gegeven in handvesten (ordonnantiën) van den vorst, waarin hij eenige algemeene regels stelt, die de stad in haar rechtspraak en wetgeving heeft te eerbiedigen. In de primitieve tijden waren rechtspraak en wetgeving niet scherp gescheiden : dezelfde stedelijke overheid wijst het recht uit, door een vonnis in een bizonder geval, door een keur voor het algemeen. Het recht van vonnis was alom in de handvesten aan de steden toegestaan, dat van keur werd als inbegrepen in het recht van vonnis beschouwd, zoolang de keuren de uitwerking bleven van of althans niet in strijd kwamen met het in de handvesten gegeven en dus vaststaande recht.

II. De vorst bezit rechtsgebied. Hij is rechteischer, eerst in hoogste instantie rechtspreker. Het recht wordt in zijn naam geeischt door den baljuw in de districten van het platteland, door den schout in het dorp en in de stad. De schout eischt het recht van een schepenbank die de geheele gemeente vertegenwoordigt; zij wordt voorgezeten door den schout, die ook veelal zelf de schepenen heeft gekozen. Het heden-daagsche begrip dat men slechts door een zelfgekozen vertegenwoordiger inderdaad vertegenwoordigd wordt, onbreekt. —Vonnis is van vinden (vondenis — vondnis — vonnis); de schout vraagt de schepenen om het vonnis, deze „vinden" het en de schout voert het uit.

Rechtspraak en regeering zijn thans scherp afgescheiden zaken. In de middeleeuwen niet. De schout is niet slechts justitie-, ook politie-ambtenaar. Ook de schepenen hebben deel aan de politie; oorspronkelijk vormen zij met den schout de eenige regeering der stad. Doorgaans benoemt de vorst den schout voor eenige jaren, dikwijls voor vijf.

Er is altijd beroep open op den vorst; een soort beklag over de rechters in lager instantie. De klager verschijnt of voor de persoon zelf van den vorst — bekend is de figuur van Lodewijk IX van Frankrijk, rechtsprekende in persoon, onder een eik in het bosch van Vincennes — of (en dit wordt regel) voor diens hof, de personen die de dagelijksche omgeving des vorsten uitmaken, en door wie hij zich in zijn regeeringstaak laat bijstaan, edelen en geestelijken, later ook rechtsgeleerden. Het hof der Bourgondische vorsten was in de 15de eeuw in twee deelen gesplitst geworden, waarvan één zich voornamelijk met de rechtspraak bezig hield. In

Sluiten