Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MACHT VAN DEN LANDSHEER.

37

den tijd van Karei V had het appèl vasten vorm aangenomen: in elke provincie bestond een hof, en daarboven een voor alle provinciën.

Sommige zaken als roof en moordbrand, hoogverraad (de cos réaux noemt ze het Fransche recht) komen in eersten aanleg voor den vorst of diens hof.

III. De vorst heeft het recht van oorlog en vrede. In theorie kan hij, mits zekere voorwaarden vervuld zijn, ieder tot de heervaart oproepen, edelen en vrije mannen; de edelen brengen hun vazallen mede. Ieder bekostigt zijn eigen uitrusting en die van zijn ondergeschikten. In de vroege middeleeuwen had dit werkelijk zoo plaats. De duur echter van den verplichten krijgsdienst was beperkt; meest tot een maand of drie. Ook was men niet gehouden den vorst te volgen buiten de landpalen, en had hij op gehoorzaamheid geen aanspraak, zoo hij roekeloos een oorlog begon.

Na de opkomst der steden was het gebruikelijk geworden de heervaart af te koopen. Voor de afkoopsom huurt dan de vorst het aantal mannen, dat hij noodig heeft. Dit komt reeds voor onder de graven van het Hollandsche huis.

Wij vinden in dezen oudsten tijd het oorlogsrecht van den vorst weder zeer beperkt door zijn beperkte macht. Feitelijk kan hij geen oorlog beginnen, wanneer hij niet zeker is van de instemming van de groote meerderheid zijner onderdanen. Zij zouden hem anders niet ter heervaart volgen of die willen afkoopen, en hij beschikt niet over middelen om hen te dwingen.

In den tijd van Karei V is dit geheel anders geworden. Langzamerhand is een staand leger aangenomen, dat in den oorlog steeds meer op den voorgrond treedt. Er heeft zich een stand gevormd van betaalde krijgslieden, afgescheiden van de massa der onderdanen. Gaandeweg is de vorst in het bezit geraakt van de middelen om het krijgsvolk te onderhouden buiten toestemming der edelen en steden. Het natuurlijk gevolg is dat hij de oorlog verklaart zonder hen te raadplegen. Na den dood van Karei den Stoute moest Maria van Bourgondië bij het Groot-Privilegie toestaan, dat de vorst nimmer oorlog verklaren zou zonder toestemming der onderzaten, maar reeds haar opvolger heeft dit privilegie ingetrokken, en Karei V verklaarde oorlog, zonder zich in eenig opzicht aan den wil der onderdanen te storen.

IV. De vorst bezit een ius circa soera. De vonnissen der Kerk

Sluiten