Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MACHT VAN DEN LANDSHEER.

39

Verder heeft de vorst binnen bepaalde grenzen aanspraak op bewilliging van beden( precaria, petitiones). De beden worden onderscheiden in gewone en buitengewone. De gewone werd, zooals de naam bede aanduidt, oudtijds ook werkelijk gevraagd, maar werd al spoedig zonder vragen ingevorderd als een vaste heffing, een soort grondrente, tweemaal 's jaars opgebracht, in het vooren in het najaar. In den dagelijkschen omgang heette deze belasting botting of schot.

Buitengewone beden werden door de oudste graven slechts zelden gevraagd. De onderdanen zijn verf licht die toe te staan:

1 °. bij de troonsbestijging (joyeuse entree, blijde incomste) ; het bedrag wordt bepaald door de gewoonte.

2°. in geval van oorlog (aanvankelijk slechts tot een klein bedrag).

3°. als de vorst ontboden wordt bij Keizer of Paus.

4°. als hij in den oorlog gevangen wordt gemaakt, ter voldoening van den losprijs.

5°. als hij buitenslands gaat om bestwil van zijn onderzaten.

6°. bij zijn huwelijk, dat van zijn oudsten zoon, van zijn broeder of zuster.

In de vroege middeleeuwen werd buiten een dezer zes gevallen alleen een buitengewone bede gevraagd bij dringende noodzakelijkheid, wanneer de vorst inderdaad buitengewone inkomsten behoefde ter uitoefening van zijn regeeringstaak. Gaandeweg klimmen echter de uitgaven van den vorst, vooral door de verandering in het krijgswezen, later ook door de gestadige uitbreiding der regeeringszorg over zaken van algemeen nut. Om voor die grooter uitgaven het geld te vinden, gaan de vorsten meer en meer hun rechten en bezittingen verpanden; steden of leenmannen geven daarvoor geld, en gewoonlijk wordt het pand niet ingelost. Zoo werden in 1248 door den Roomsch-koning stad en gebied van Nijmegen aan den graaf van Gelder in pand gegeven, en bleven sedert met diens gebied vereenigd. Vooral in de 14de eeuw teerden door geheel Europa op deze wijze de vorsten hun kapitaal op, na de grooten (als de Keizer) de kleinen, bizonder sterk b.v. Willem IV van Holland. Alles werd aangegrepen wat 's vorsten inkomen vermeerderen kon: zoo werden aan de zich meer en meer ontwikkelende steden, dikwijls tot groot nadeel van de vorstelijke macht,

Sluiten