Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MACHT VAN DEN LANDSHEER.

41

woonte, bewilligd was. Zijn opvolger kwam met dit en andere privilegiën in strijd. Ten slotte bleef Filips geen keus dan öf zijn hervormingen op te geven of ze met geweld door te zetten, en de privilegiën voor niets te achten. Onder Alva's schrikbewind is dit laatste beproefd.

Karei V heeft dit uiterste middel steeds vermeden zoolang een andere weg open bleef. Het eeuwenlang eerbiedigen of althans niet uitdrukkelijk intrekken van verkregen rechten had, bij de niettemin gevoelde noodzakelijkheid om voor nieuwe omstandigheden een nieuw recht te scheppen naast of ook enkel tot verder ontwikkeling van het niet aangetaste oude, het aantal rechtsbepalingen in het oneindige doen aangroeien. Een deel er van was reeds afgestorven of werd althans niet altijd meer door ieder op dezelfde wijs verstaan. De weg van rechten was dus aangewezen voor de stad of het gewest, dat tegen den wil des vorsten een privilegie wilde doen gelden, waarvan het voortbestaan of de toepasselijkheid door dezen werd ontkend. In den geest der door den landsheer ingestelde opperste rechtbank lag het, de vorstelijke macht te versterken tegen de behoudzucht der onderscheiden deelen van het rijk, maar toch zijn er voorbeelden genoeg van processen die de vorst tegen zijn onderdanen verloor. Zoo üet Karei in 1548 opnieuw een congégeld (uitgaand recht) van het koren heffen, dat eenige jaren te voren door de Staten van Holland voor een som in eens was afgekocht. Amsterdam, de Westfriesche steden en Dordrecht dreven grooten handel in koren, dat uit de Oostzee in onze havens aangevoerd, daar gestapeld, en later weer naar elders uitgevoerd werd; het uitgaand recht was voor dezen handel allernadeeligst gebleken. Holland eischte recht voor den Grooten Raad van Mechelen, die tegen den landsheer uitspraak deed (13 Öctober 1548).

De uitstekendste voorrechten had van al Karel's gewesten Brabant. Van 1356 dagteekent haar beroemde „Joyeuse Entrée", toen voor het eerst door hertogin Johanna (blz. 17), en sedert door eiken hertog bij zijn komst tot den troon bezworen, gelijk in het charter zelf was voorgeschreven. Zij hield de voorwaarden in waarop Brabant, na het overlijden van hertog Jan III, berust had in de opvolging van een vrouw. Schond de vorst deze wet, luidde een der bepalingen, dan waren de onderdanen van hun eed aan hem ontslagen, zoo zij ten minste hem om herstel van onrecht ver-

Sluiten