Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE STATEN.

47

verbond te sluiten. Geen vorst zal regeeren die niet door de meerderheid der ridders, door de vier hoofdsteden en door de meerderheid der kleine steden zal zijn erkend. Elk waarborgt den ander zijn rechten en privilegiën. In 1436 heeft men een herhaling hiervan, onder andere omstandigheden.

In Holland werd een groote dagvaart beschreven den 15^ Augustus 1416 door Willem VI, om te doen belooven dat men zijn dochter Jacoba zou handhaven in de regeering. Bizonder veel steden waren ditmaal opgeroepen. Het was een dagvaart in drieën: het recht van Jacoba werd afzonderlijk bezworen door de edelen en steden van Noordholland, Zuidholland en Zeeland.

In de handvest, die Jan van Beieren den 208ten Juni 1418 aan Dordrecht verleent, komt voor dat hij de steden van Holland en Zeeland verlof geeft om, nadat Zij hem gehuldigd zullen hebben, op eigen gezag te vergaderen tot 'slands oorbaar, „mits niet dragende tegen hem, zijnen lande of zijne heerlijkheid". Een gewichtige toezegging, nog slechts voorbijgaand van uitwerking, maar nimmer weder vergeten.

Bij den zoen van Delft, 3 Juli 1428, tusschen Jacoba en Füips, wordt bepaald dat Jacoba geen huwelijk zal aangaan dan met toestemming van haar moeder, van Füips „ende der drien Staeten derselver onser landen tsamen" (Henegouwen, Holland, Zeeland en Friesland). Met de drie staten worden bedoeld geestelijkheid, edelen en steden. In Hoüand en Gelderland vonden wij de geestelijkheid niet vertegenwoordigd; in de andere hier genoemde gewesten was zij het wèl. De standen van Holland, Zeeland en Friesland worden in het hier aangehaalde document voor de eerste maal met den naam „Staten" genoemd.

Het Groot-Privüegie van Vrouwe Maria (1477) bevat o. a. de bepalingen, dat de vorsün niet zal trouwen dan met goedvinden der heeren van haren bloede en van de Staten van haren landen; en dat (art. 15) de steden onderling, en met de andere Nederlanden, dagvaarten mogen houden op zulk een plaats en zoo dikwijls 't haar behaagde.

Over dit Groot-Privüegie is in het laatst der vorige eeuw een groote wetenschappelijke strijd gevoerd tusschen de school van de hoogleeraren Trotz (te Utrecht) en Cras (te Amsterdam), en die van Kluit te Leiden. De school van Trotz en Cras hield vol dat het groot-privüegie nog steeds van kracht, en van de grootste

Sluiten