Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

48

DE STAAT VAN KAREL V.

beteekenis was, een plechtanker van den staat. In dezen geest heten zich uit de academische proefschriften van Elias (1778) en de Guicherit (1789) de privilegiis. Daartegen werden geschreven de Kluitiaansche proefschriften van Six (1779) en van Doorninck (1794) de magno Mariae privilegio, waarin het gevoelen werd verdedigd dat het groot-privilegie niet meer geldig was, en nimmer van groote beteekenis was geweest. Wat betreft de geldigheid had de school van Kluit ongetwijfeld gelijk: het privilegie is uitdrukkehjk vernietigd bij de huldiging van Füips, den 12den December 1494. Wat de beteekenis betreft, is het gelijk meer aan de zijde van Trotz en Cras: het privüegie is als een ware magna charta bedoeld geweest, en bevat aUes waarop de onderdanen toen aanspraak maakten. Het moet gebruikt worden om te zien waarover men toen klaagde, en hoe men dit meende te zuüen verhelpen. In hoeverre het groot-privüegie in de practijk een bruikbare magna charta zou zijn bevonden, is een geheel andere vraag.

Onder de vorsten na Maria kwamen de Staten in den regel niet ongeroepen bijeen. Het geschiedde wel eens tot regeling van huishoudelijke zaken tusschen steden en edelen of tusschen steden onderling. Een recht tot eigenmachtige bijeenkomst hebben de Staten ongetwijfeld niet bezeten, al maakten zij er aanspraak op. In Holland wüden zij later onderscheid gemaakt hebben tusschen vrijwillige bijeenkomsten en dagvaarten. Op de laatste moest men verschijnen: de eerste geschiedden niet op last der regeering, en werden uitgeschreven door den advocaat. Met name tusschen 1564 en '67 zijn in Hoüand zulke vrijwillige bijeenkomsten herhaaldelijk voorgekomen, doch Hof en Stadhouder namen de onderscheiding niet aan en beslisten dat de Staten geen recht hadden, ongevraagd bijeen te komen. In Brabant en Vlaanderen bestond het recht evenmin, al werd er ook daar aanspraak op gemaakt. In Gelderland was het bepaald uitgesloten door het tractaat van Venlo.

De landheer placht de Staten bijeen te roepen in de volgende gevallen:

1°. Bij overdracht der regeering (1555), of wanneer de landsheer zich voor het eerst in een gewest vertoont, waarbij bij den eed aan de Staten doet en hun huldigingseed ontvangt, schoon dit ook wel in iedere stad afzonderlijk geschiedde.

Sluiten