Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE STATER.

51

hadden gedurig plaats en geschiedden na gedaan rapport eener rondreizende commissie van onderzoek {informatie of enqueste). De oudst bekende verrxmding in Holland is van 1436; andere hadden plaats in 1448, 1462, 1477, 1496 en 1515. Van de laatste twee zijn de informatiën nog over.

Soms geeft de vorst aan een klagende gemeente geheele of gedeeltelijke vrijstelling. Het bedrag wordt dan van de hoofdsom der gansche provincie afgetrokken; de andere gemeenten worden er niet te zwaarder om belast.

Tot het opbrengen van het voor iedere stad of dorp gestelde aandeel worden de ingezetenen door schatmeesters aangeslagen op een zeker aantal schotponden, scbelhngen en penningen. (Het in Holland meest gebruikte pond is dat van 40 grooten Vlaamsen, verdeeld in 20 schellingen van 12 stuivers het stuk. De stuiver heeft 16 penningen; de duit is een pasmunt ter waarde van twee penningen). Het door ieder belast ingezetene op te brengen bedrag is aangegeven op een kerfstok (vgl. de oorspronkehjke beteekenis van taille in Frankrijk); elke kerf daarop vertegenwoordigt een schotpond en is onderverdeeld in een aantal steken. Op dorpen waar de schrijfkunst weinig beoefend werd, bleef men zich lang met den kerfstok behelpen. Nog onder Karei V heet het dikwijls dat iemand staat op zooveel kerven (of schreven) en steken.

Veel goed bleef buiten de verrxinding. Het is nooit uitgemaakt of deze belasting reëel of personeel was, d. w. z. of de persoon haar droeg, of het goed. Zoowel sommige personen als sommige eigendommen bleven schotvrij. In de eerste plaats het geamortiseerde goed der Kerk, als „patrimonium pauperum"; doch gaandeweg breidde dit zich uit tot alle goed door geestelijken bezeten. In de tweede plaats is de adel vrij, rechtens alleen voor zijn leengoed, waarvoor bij geacht wordt zekere militaire diensten te bewijzen; langzamerhand echter was alle door een edelman bezeten goed vrij geraakt, oude allodia zoowel als nieuwverworven bezittingen. In de derde plaats zijn de poorters der steden niet belast voor goed dat zij buiten de steden bezitten. Werd een stad een geheel met eigen voorrechten, dan werd haar aandeel in de bede op een fixum gesteld, en verschillende steden hadden het privilegie dat men hunne burgers buiten dat fixum niet belasten mocht. Eindehjk is de „schamele gemeente" vrij; de Heden die te arm zijn om lasten

Sluiten