Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

56

DE STAAT VAN KABEL V.

nent. De ingezetenen eener provincie verlangen dan, dat de stadhouder een ingeborene zij of althans hunne taal spreke („een ingeboren edele, die de tale spreekt", in het Groot-Privilegie). Later is deze regel evenwel niet toegepast.

Holland en Zeeland hadden altijd maar één stadhouder en één Raad. Toen in 1528 Utrecht onder Karei V zou komen, verlangde Holland, dat de oorlogskosten hoofdzakehjk gedragen had, het Nedersticht bij zijn gebied in te lijven, tot beter verdediging tegen Gelderland. Hiertegen verzetten zich èn Utrecht zelf èn Karei V, en toen het Sticht overging, nam het Karei als heer aan in diens hoedanigheid van graaf van Holland en hertog van Brabant, daar ook Brabant medegeholpen had om den vijand uit het land te drijven. Hierop verlangde Holland toch, dat het Nedersticht zou komen onder zijn stadhouder en onder zijn Hof. Bij open brieven van 1534 uit Toledo heeft Karei deze zaak geregeld. Er zal één stadhouder zijn voor beide provinciën, doch afzonderlijke hoven. Echter zal het Hof van Holland buiten Utrecht mogen bannen, terwijl aan het Hof van Utrecht dezelfde bevoegdheid omtrent Holland wordt toegekend.

Overijsel was nu geheel van Utrecht losgemaakt, evenals vroeger Holland van Henegouwen. Het kwam onder één stadhouder met Friesland, en in 1536 met Groningen en Drente. Gelderland en Zutfen kwamen hier in 1543 niet bij, maar bleven een geheel op zichzelf (schoon zij niet dicht bevolkt waren) j bij het verdrag van Venlo was bepaald, dat de provincie haar eigen stadhouder en eigen hof hebben zou, en dat de eerste zou zijn „een man de tale sprekende".

De provinciale raden of hoven komen, ook om de gedeeltelijk rechtelijke bevoegdheid, beter afzonderlijk ter bespreking. In Utrecht dagteekent het hof eerst van 1530 (nadat David van Bourgondië in 1474 er een ingericht had dat maar drie jaren heeft bestaan), in Gelderland eerst van 1547. Hier krijgt de president den hoogeren titel van kanselier, in navolging van het andere hertogdom, Brabant.

In Holland heeft de graaf rentmeesters voor de ontvangst, thesauriers voor het beheer der gelden. De rekeningen der rentmeesters worden jaarlijks afgehoord door eenige voorname heeren, raden van den graaf. In 1428 wordt hiertoe, bij art. 6 van den zoen van Delft, een vast college aangewezen, het in dat jaar opge-

Sluiten