Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PROVINCIALE REGEERING.

57

richte Hof van Holland, aanvankelijk meest de Raad, of Raden en Rekenmeesters genoemd. Zij waren weder rekenplichtig aan de rekenkamer te Rijsel, in 1385 door Filips den Stoute opgericht voor Vlaanderen, en wier werkkring thans werd uitgebreid over de nieuw verworven gewesten. Later, toeh Füips de Goede ook in Brabant was opgevolgd, zond hij meermalen twee leden van de rekenkamervan Brabant.in 1404 door Antonie van Bourgondië opgericht, om in Holland de rekeningen af te hooren. Zoo kwam er overeenkomst in het financieel beheer in de verschillende Bourgondische gewesten, maar Hohand was zeer op zijn zelfstandigheid gesteld en verkreeg in December 1446 voor zich en Zeeland een eigen rekenkamer in den Haag. Zij was bestemd: 1 °. tot het afhooren der rekeningen; 2°. tot de zorg voor de domeinen (in de dubbele beteekenis van landsheerlijke gerechtigheden en landsheerlijke bezittingen). Den 14** Mei 1463 werd de Haagsche kamer opgeheven en kwamen Hoüand en Zeeland nogmaals onder het ressort der rekenkamer te Brussel; ook de kamer te Rijsel werd opgeheven en die te Brussel tot een algemeene rekenkamer ingericht, welke in 1473 werd overgeplaatst naar Mechelen. Bij art. 22 van het Groot-Privüegie werd de afzonderlijke rekenkamer voor Holkand en Zeeland hersteld; zoo ook die te Rijsel. Er zijn nu voortaan weder drie rekenkamers in de Bourgondische landen: een te Rijsel voor Vlaanderen, Artois en Henegouwen; een te Brussel voor Brabant, Limburg en Luxemburg; een in den Haag voor Holland, Zeeland en Friesland. Die in den Haag bestond uit twee meesters van rekeninge, een auditeur en een klerk. In de 16de eeuw werd het gebied dezer kamer uitgebreid over de andere noordehjke gewesten, maar Gelder en Zutfen behielden hun eigen rekenkamer, die al voor 1481 bestond en er waarschijnlijk is opgericht door Karei den Stoute. Zij is dan niet (zooals de andere instellingen uit den tij d van diens overheersching in Gelderland) later weder vervallen, maar bleef bestaan, en is bij nieuwe instructie van 1558 naar het voorbeeld der Hollandsche kamer hervormd.

Literatuur. — Uitdrukking „stedehouder van den graaf": van Mieris II, 679, 682; „luitenant": van Mieris II, 791. — Stadhouderschap van Filips van Dorp en den burggraaf van Leiden: bijvoegsels op Wagenaar, V, 21. — Poging van Holland om Utrecht in te lijven: Tegenwoordige Staat XI, 119; Wagenaar V, 132. — Hof van Utrecht: Tegenwoordige Staat XI, 265. — Rekenkamers: Gachard, Notice

Sluiten