Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

60

DE STAAT VAN KAREL V.

doch het is geen gebruik dat hij de zittingen bijwoont. Maurits en zijn opvolgers hebben echter altijd de eerste zitting tijdens hun stadhouderschap bijgewoond, om hun recht te handhaven. — De stadhouder heeft alleen in kleine zaken het recht van gratie, dat overigens aan de algemeene regeering is voorbehouden (artt. 16—17).

III. Handhaven van orde en rust; politietoezicht, zouden wij zeggen (art. 23). Dit is een lastige zaak, want vóór hij daartoe van troepen gebruik maakt, moet hij te Brussel verlof vragen. Hij houdt toezicht op de steden (artt. 21 en 32); draagt zorg dat zij haar bezittingen niet vervreemden of bezwaren tot betaling van haar schulden; dat zij geen belastingen heffen dan krachtens octrooi van den vorst (niet meer van den stadhouder, volgens de instructie van 1559). De stadhouder moet haar rekeningen nazien en van haar begrootingen de posten van te groote weelde schrappen. De steden nl. bestreden dikwijls gewone uitgaven uit leeningen, en moesten dus hooge stedelijke belastingen heffen, vooral hooge accijnzen. Het platteland leed daaronder, daar, volgens de handvesten, fabrieken alleen in de steden mochten zijn gevestigd. — Het toezicht van den stadhouder op kerkelijke zaken is ook van groot belang. Hij heeft te waken dat geen goederen meer in de doode hand komen (art. 20), en dat geen kloosters zich stellen onder andere bescherming dan die van den vorst en zijn stadhouder. Hij moet de kerkelijke regeering bijstaan in het weren der ketterij (bijzondere instructie, art. 4). In 1565 wordt daarbij nog van hem gevorderd, dat hij hulp zal verkenen aan de inquisiteurs.

IV. Oproepen van de Staten. Hij kan (volgens zijn commissie) dit doen als naar zijn inzien de toestand van het land het vereischt of het algemeen belang het vordert, m. a. w. in financieelen nood. Hij heeft te beletten dat de Staten eigenmachtig bijeenkomen.

V. Vernieuwing der stadsregeeringen op gezette tijden. In elke stad is één permanent grafelijk ambtenaar, de schout, doch verder heeft iedere stad op zichzelf groote onafhankeüjkheid, en bezit twee plaatselijke collegiën: 1°. de vroedschap; 2°. den magistraat (burgemeesteren en schepenen). De vroedschap zit voor het leven en wordt aangevuld door de stad zelve; slechts in Rotterdam, Schiedam, Gorkum en Alkmaar Mest de stadhouder uit een dubbeltal. Het dagelijksch bestuur (burgemeesteren en schepenen) Weidt, telkens voor één jaar, gekozen door den stadhouder uit een

Sluiten