Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BESTUUR VAN HOLLAND EN ZEELAND.

61

dubbeltal. Voor de burgemeestersbenoeming hebben echter Leiden en Amsterdam de vrije hand. De stadhouder heeft bij het vernieuwen van den magistraat deze en andere bestaande gebruiken in acht te nemen. Hij is verplicht, telken jare aan de landvoogdes vooraf kennis te geven, welke personen hij in de hoofdsteden in den magistraat denkt te kiezen (artt. 31 en 34).

Na het nederwerpen van den laatsten opstand in Vlaanderen (1540) had Karei V verordend dat hij in deze provincie de stedelijke besturen zou vernieuwen bij onmiddelhjke benoeming. In Brabant oefende hij thans ook dit recht uit. Bij iedere plaatselijke ongeregeldheid wist de regeering haar rechten in deze richting uit te breiden. Ook buiten Vlaanderen en Brabant had zij gaarne het recht van onrniddelhjke benoeming gehad, dat dus ook de steden van Holland boven het hoofd hing, doch bij het uitbreken van den opstand nog nergens door de regeering was verkregen.

Volgens art. 8 der afzonderlijke instructie heeft de stadhouder te waken dat geen kettersche personen in de regeering worden gebracht.

VI. Benoeming tot posten (artt. 26 en 27), namelijk tot kleinere; het openvallen van hooge posten moet hij aan de landvoogdes berichten, en verhinderen dat een opvolger zich er in plaatst voor men te Brussel in de benoeming heeft voorzien. Hetzelfde gold, als een leen openviel. In het kerkelijke gelden bizondere bepalingen. — Over de benoeming tot posten zijn hevige geschillen gerezen tusschen Granvelle en de groote heeren.

VII. Onderhoud van vestingen; voor herstellingen echter, die met uit de gewone middelen kunnen worden bekostigd, moet de regeering te Brussel worden geraadpleegd. Nieuwe vestingen of kasteden mag hij niet bouwen (art. 18), en geen troepen bijeenbrengen dan op uitdrukkelijk bevel van den landvoogd (art. 22).

De stadhouder is tevens kapitein-generaal over het krijgsvolk m zijn provincie. Dit is van ouds zijn recht, hoewel de instructie van 1559 er over zwijgt. Toen Füips in 1559 naar Spanje vertrok, stelde hij zelfs geen commandant aan over de gezamenlijke krijgt macht in de Nederlanden. Dit was, omdat hij geen Spanjaard durfde, en geen Nederlander wüde benoemen. Eerst Alva kreeg dien post. Met opzet wordt in Oranje's instructie zeer weinig van zijn nnhtaire attributen gezegd. De krijgsmacht was samengesteld uit vendels of compagnieën van 100 tot 120 man, onder

Sluiten