Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6

gelders en gewapende huislieden verhoogde de waarde er van zeker niet, evenmin die met gewapende burgers (schutterijen).

De eenige mogendheid die de Republiek rechtstreeks militaire hulp verleende was Spanje; de Spaansche landvoogd in de Zuidelijke Nederlanden de Monterey zond volgens overeenkomst behalve 1000 man cavalerie ter versterking der bezetting van Maastricht 2000 man cavalerie onder de Louvignies, waarbij later nog kwam een regiment Spaansche infanterie van den markies van Westerloo, — alle zeer goed gedisciplineerde troepen.

Het deel van het Fransche leger, waarbij de koning zich bevond, dat 11 Mei uit Charleroi naar de Maas was opgerukt, was 17 Mei te Visé aangekomen en vereenigde zich daar met de legermacht onder den Maarschalk de Turenne, terwijl de Prins van Condé met eene andere afdeeling den 19den Mei bij Luik verscheen. Nadat 10000 man onder den markies de Chamilxy in de Zuidelijke Nederlanden waren achtergelaten, bestemd om, versterkt met een nog verwachte afdeeling onder den markies de Nancré, de Spaansche troepen in het oog te houden en later naar Maastricht op te rukken, trok Condé over de Maas en sloeg 1 Juni het beleg voor Wezel, dat hem reeds den 5den d. a. v. werd overgegeven.

Het hoofdleger van de Franschen ging daarop 9 Juni bij die stad den Rijn over. Binnen weinige dagen vielen daarna al de Kleefsche vestingen, bijna zonder slag of stoot in handen van den vijand. De Bisschop van Munster was ook reeds de Republiek binnengedrongen, deed het Graafschap Lingen en de Twentsche stadjes bezetten en sloeg 1 Juni het beleg voor Groenloo. Hier vereenigden de Fransche en Keulsche troepen onder den maarschalk Luxembourg zich met hem, welke Fransche legeraanvoerder belast was geweest met de organisatie van de troepen van Keulen en Munster, en het sterke Grol, ruim voorzien van oorlogs- en mondbehoeften, werd reeds 10 Juni overgegeven. Daarna viel ook de IJsel vesting Deventer na een kort beleg van 16—22 Juni in handen van deze legermacht, die voorts nog een aantal vestingen langs en bij de Zuiderzee in Gelderland en Overijsel in bezit nam.

Intusschen was het grootste deel van het Fransche leger 12 en 13 Juni weer over den Rijn en dus in de Betuwe getrokken op een doorwaadbare plaats, iets t. N. van het Tolhuis te Lobit ,waar de rivier 150 M. breed was, maar waar op het diepste punt over een lengte van 70 M. slechts 1,20 a 1,50 M. water stond.

Nadat de Nederlandsche bevelhebber de Montbas de hem aldaar toevertrouwde stelling in de Betuwe met de onder hem staande krijgsmacht verlaten had — naar hij beweerde overeenkomstig zijn instructiën — waren wel onmiddellijk andere troepen, grootendeels cavalerie, onder Wirtz aldaar geplaatst, maar deze, niet voorzien van geschut, hadden

Sluiten