Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

11

het zee- of rivierwater naar binnen moet stroomen over het lager gelegen land en dit bedekken tot zekere hoogte, — waarover hierna meer.

Ten andere, niet-rechtstreeks, n.1. uit de boezemwateren, die daartoe vooraf door het buitenwater worden opgezet.

Het bedoelde gebied is n.1. doorsneden door een aantal oorspronkelijk natuurlijke, veelal breede wateren als Amstel, Spaarne, Ouden Rijn, Vliet, Gouwe, Schie, Rotte, Alblas, Giesen, enz. en bovendien door vele gegraven of door vergraving verkregen kanalen of vaarten. Ook lagen er nog eenige meren, als de groote Haarlemmermeer, de Brasemermeer, enz.

Langs de meeste van deze wateren liepen waterkeeringen, hetzij reeds vroeg daarlangs aangelegd, toen Zij nog in open verbinding met het buitenwater stonden, doordat zij nog niet aan den mond waren afgedamd, hetzij zij — en dit was bij de meeste het geval — ter weerszijden nauw ingesloten waren geworden door de kaden der voor en na aangelegde polders..

Die polders n.1. zijn oppervlakten lands, afgesloten door kaden van het omringende land en water; het water daarbinnen kreeg men dus door die afscheiding in eigen macht. Zoo'n polder werd doorsneden met vele tochten en sloot en, waarin de neerslag in den vorm van regen, sneeuw, enz. voorloopig werd geborgen, en het overtollige water kon er, vooral na de geleidelijke verbetering dér in het begin der 15e eeuw voor 't eerst toegepaste windwatermolens, worden uitgeworpen. Langzamerhand werd zoo geheel Holland en het westen van Utrecht t. N. van de groote rivieren „in polders gelegd", die aaneensloten en waarvan vele elk het geheele gebied van een ambacht, dorp of hoe de landelijke gemeente heette besloegen. Deze bepoldering was geheel voltooid in de eerste helft van de 17e eeuw, het laatst in Amstelland.

Het overtollige water der polders nu werd slechts voor een betrekkelijk klein deel rechtstreeks op het buitenwater uitgeworpen en overigens op de genoemde binnenlandsche wateren, die evenwel niet alle in open gemeenschap met elkaar stonden, maar bij groote groepen door dammen of sluizen van elkaar gescheiden waren en aldus den „boezem" (bergplaats) vormden voor de polders van het gebied dat er op „uitsloeg".

Zoo ontstonden de groóte boezems van Amstelland, Rijnland, Woerden, Schieland, Delfland en ten Z. van de Lek van de Vijfheerenlanden en die van de Overwaard en de Nederwaard in de Alblasserwaard.

Het aldus gedeeltelijk ontwaterde veenland zakte daardoor en daarmede het peil waarop men het water in de tochten en slooten der polders trachtte te houden, d. i. 0,25 a 0,40 c.M. beneden het terrein. Maar de geheel afgesloten, stilstaande boezemwateren stegen en moesten nu en dan worden geloosd op het buitenwater, wanneer dit laag genoeg afliep. De polderkaden langs die wateren, tevens boezemkaden, zijn daarom in den regel wat hooger en zwaarder dan die welke geen boezemwater hebben te keeren.

Sluiten