Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12

Drie soorten van water dus: het polderwater, in de slooten en tochten in en achter bedoelde linie bij voldoende loozing — la — 2 A.P. gelegen; het boezemwater, in Rijnland b.v. — 0,55 a — 0,65, in Amstelland—0,39, in Woerden —0.43, in de Vijfheerenlanden -4- 1,06, in de Overwaard — 0,30, in de Nederwaard ong. — 0,40 A.P. gelegen, en het buitenwater, op de benedenrivieren en de Zuiderzee op- en neergaande met de getijen (te Muiden gem. + 0,14 vl. en — 0,22 eb, te Gouda + 1,09 vl. en — 0,60 eb, te Schoonhoven bij Midd. Riv. -4- 1,20 vl. en —0,01 eb, te Gorinchem bij Midd. Riv. + 1,64 vl. en + 0,71 eb, alles t. o. van N.A.P.).

De polderkaden, geen boezemkaden zijnde, in 't algemeen 243 voet hoog boven het terrein, reiken dus nog niet tot A.P., de meeste boezemkaden, hoewel iets hooger, evenmin.

Deze peilen zullen in 1672 niet veel verschild hebben van de tegenwoordige. Door de sedert dien tijd veel verbeterde polderbemaling is het terrein in 't algemeen nog gezakt en daarmede zijn ook de polderpeilen lager geworden.

Op te merken valt, dat door de droogmaking van eenige meren, als de Diemermeer en de Bijlmermeer in Amstelland, de Zoetermeer en eenige kleinere in Rijnland, en ook van een paar groote uitgeveende plassen, reeds in 1672 eenige van die zeer diepe polders waren ontstaan, met hun bodem 3 a 4 M. beneden A.P. gelegen, die men droogmakerijen noemt.

De wegen in dit gebied liggen op de polderkaden, voornamelijk op de boezemkaden. Wegen in de polders komen er in 't algemeen niet voor, daar zij in dit grasland niet noodig zijn en bovendien een polder in twee of meer andere zouden scheiden, tenzij er veel kostbare kunstwerken als bruggen, duikers, enz. in werden aangelegd. Alleen in de nabijheid der groote steden loopt een enkele weg door een polder heen, waar hij noodig is voor het grootere verkeer.

De bewoonde plaatsen, steden, dorpen, buurten liggen natuurlijk aan die wegen en wel op een min of meer kunstmatig aangehoogden grondslag.

Door nu de boezemkaden door te steken kon men het boezemwater over de landen brengen, m. a. w. de polders onderwaterzetten. Natuurlijk moesten de boezems daartoe aangevuld worden hetzij uit het buitenwater hetzij uit aangrenzende andere boezems.

Voor de verdediging werd het land zoo hoog geïnundeerd, dat de meeste wegen, d. z. dus in 't algemeen de lage polderkaden, onder water stonden: wegen, behalve de hoogere boezemkaden, tochten en slooten, mochten niet meer te onderscheiden zijn.

De inundatie werd begrensd door buiten- en binnendijken, boezemkaden en andere daartoe opgewerkte polderkaden, — aan de oostzijde hier en daar ook wel door hooger gelegen terrein waartegen zij te niet liep.

Door de onderwaterzetting heen voerden dus slechts eenige dijken langs het buitenwater en eenige hoogere kaden.

Sluiten