Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

26

het uiterste. Al heeft het, ondersteund door Alkmaar, Hoorn en Rotterdam, zijn poging in de vergadering der Staten van Holland om geen aanbiedingen tot onderwerping aan den vijand te doen niet met goeden uitslag bekroond gezien, toen die aanbiedingen gelukkig tot niets geleid hadden, verloor het den moed niet en hoe dichter de vijand naderde hoe krachtiger het zich voorbereidde op een geduchten tegenstand.

Erkend moet worden dat Amsterdam in een betrekkelijk gunstige gesteldheid verkeerde. De machtige koopstad had groote hulpbronnen. Zij kon beschikken over veel weerbare mannen en werklieden, over fabrieken en werven, over geschut en munitie, over geld.Voeding kon zij in ruime mate verkrijgen uit het Noorderkwartier, dat vrij bleef van inundatie, zoolang een vijandelijke landing daar niet gelukt was. En het terrein rondom Amsterdam kon even gemakkelijk onderwatergezet worden als andere deelen van Holland, zoodat de stad slechts langs enkele wegen te bereiken was; een nadering langs Zuiderzee en IJ kon met eenige weinige oorlogsschepen worden belet.

Johan de Witt zag de beteekenis van Amsterdam voor het behoud des lands dan ook zoo goed in, dat hij 9 Juni aan van Beverningh schreef, dat zoo noodig de Regeering van Holland en het geheele land en zijn hulpmiddelen daarheen behoorden te worden overgebracht om „uyt die plaetse, als het harte, alle de leden, sooveel mogelijk, hulpe ende secours te brengen, ende onder Godes genaede den vijandt het landt tot de uyterste man toe met een Batavische constantie te disputeren."

De inundatie om Amsterdam omvatte 1°. de polders t. N. van den Amstel (te beginnen bij den Uithoorn) en de Holendrecht, t. W. van het Gein, de Gaasp en de Diemen, t. Z. van den Zeeburg en Diemerdijk, t. O. van den Veendijk en den Amstelveenschen weg; 2°. aan de westzijde van Amsterdam den Sloter-Binnenpolder (waarin de drooggemaakte Sloterdijkermeer) en t. Z. van den Sloterweg de polders tot den Schinkel, het Nieuwe Meer en het Haarlemmermeer.

Het onderwaterzetten van eerstgenoemde groep is begonnen uit Amstellandsboezem, nadat ing. Resol. v. 13 Juni deze eerst door het openen der sluizen te Amsterdam en het uitnemen der deuren van de Ipenslootersluis, dus met Zuiderzeewater, was opgezet. De inundatie werd evenwel door de boeren, die den Veendijk doorstaken, afgetapt op Rijnlandsboezem (Nieuwe Meer, Legmeer, enz.), die toen nog P/a voet lager stond. Er werd daarom besloten er bij de Staten van Holland op aan te (hingen de sluizen te Halfweg en te Spaarndam te doen openen om door het water uit het IJ Rijnlandsboezem te verhoogen. Dit is echter niet noodig geweest, omdat voor dit doel 19 Juni de sluizen te Gouda eindelijk door deze stad werden opengezet. Den dag na het vertrek van het leger uit Utrecht werd besloten ook nog den zeedijk bij Jaaphannes en den Veendijk door te steken, en dus zoowel met zout water uit de Zuiderzee als met zoet water uit Rijnland de landen te doen overstroomen. Om het in alle

Sluiten