Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXXI. BAROK EN ROCOCO IN SPANJE EN PORTUGAL.

EN GEVOLGE VAN DE VELE, ONGELUKKIG AFGELOOPEN OORlogen, (na Nederland, o.a. tegen Frankrijk en Engeland) geraakte Spanje in de zeventiende eeuw tot armoede en verval, met het gevolg, dat het eens zoo machtige Rijk zijn rang als groote mogendheid verloor. Toch leverde deze eeuw

op kunstgebied meesters op met wereld-reputatie. O.a. Zurbaran, Velasquez, Murillo, Cervantes, Calderon en Lopede Vega.

Een algemeene hoofdtrek der Spanjaarden was een streven naar overladen rijkdom; te meer daar de grootste kunstbeschermers worden gevonden aan het hof en onder de hooge kerkelijke waardigheidsbekleeders. De Barok uit Italië vond in Spanje reeds aanhang ongeveer 1620, dus nog vóór Borromini's invloed zich kon doen gelden; en zoo ontvankelijk waren de Spaansche bouwmeesters voor den Borrominesken stijl, dat, ook al in verband met de eigen, in Spanje inheemsche kunstrichting, Spanje het land is waar de meest wilde barokke concepties worden aangetroffen.

De Barok werd ingeleid door Juan Baptista Crescenzi (1585—1660) bouwmeester van het Escorial, vooral als deze in 1630 als Markies de La Torre architect werd van de Openbare Gebouwen.

De bouw van het Escorial onder Philips II vormt het hoogte punt van de Renaissance, waaraan tevens het strenge en koele klassicisme, vooral vertegenwoordigd door Herrera tot uiting komt. Van Herrera's beide leerlingen, Francisco de Mora (f 1610) en Juan Gomes de Mora (■{■1648) staat de eerste nog geheel op het standpunt van de Hoogrenaissance, doch is slechts in de details wat vrijer. De laatste, die in 1611 hoofd-bouwmeester wordt van het Escorial, wordt geroemd als een baanbreker van den Barok. In wezen is echter zijn systeem niet anders dan Hoog-renaissance, doch uit zich het barokke-element voornamelijk in zijn zeer fraaie deur- en vensteromlijstingen.

Evenals de Platereske stijl was de Barok decoratief, terwijl voor architectonisch schema dat van Juan de Herrera bleef behouden, dus rustige massa, met de decoratie geconcentreerd op de vensters en portalen. Tegen het einde van de zeventiende eeuw begint met de latere werken van Don José de Churriguera (1650—1723) het bloeitijdperk van den Barok, die naar hem zelf Churriguereske stijl wordt genoemd. Echter weet Churriguera in de toepassing zijner barokke details nog maat te houden; zijn volgers pasten echter de decoratieve barokke elementen zoo toe, dat zelfs Italië's wildste barokke-architectonische fantasieën nóg klassiek lijken, vergeleken bij deze Spaansche scheppingen.

De algemeene kenmerken van dezen Barok zijn: gebroken of opgerolde tympans, omgekeerde voluten, golfvormige lijsten, waarboven grillige ballustraden, ornament bestaande uit

Sluiten