Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

758

BAROK EN ROCOCO IN FRANKRIJK. "

Fig. 835. Lodewijk XIV deur uit Cambrai.

Een der voornaamste Rococomeester is Germain Boffrand (1667—1754). Dan volgen Robert de Cotte (zie Régence); Jules Aurèle Meissonier (1695—1750), die volledig breekt met alles wat aan klassicisme herinnert en den Rococostijl tot in de uiterste consequenties doorvoert; Jacques Jules Gabriel (f 1742), de bouwmeester van het schitterende kleinere monument: Klein Trianon te Versailles, die ook te Nantes en Reims werkt; Charles Etienne Briseux (1680—1754), schrijver over bouwkunstgeschiedenis; Emanuel Héré de Corny (+ 1762) en nog vele Rococo-ontwerpers, als Claude Gillot, Claude Audran, Germain en Cuvilliés.

De details.

De pijler, zooals die nog werd toegepast in de kerkelijke bouwkunst, verdwijnt, en wordt vervangen door de zuil. Pilasters zijn versierd met plaatselijk gevlochten bandornament, vlecht- en traliewerk, doch meestal worden ze vervangen, door het weglaten van basement en kapiteel, door lisenen of lijsten. Buiten Frankrijk groeien uit de lijsten weer ranken, zoodat ze ten slotte geheel als begrenzingsmotief verdwijnen. De lijst, die eigenlijk als afsluiting dienst doet, vormt nu de oorsprong van het ornament, dat van hieruit over het veld woekert. Zelfs als spiegels zijn toegepast in plaats van paneelvullingen, groeit het ornament van uit de lijst over het glas. Overigens wordt in dit tijdvak de toepassing van spiegels, ter schijnbare vergrooting van het interieur minder, en komen hiervoor schilderingen in pastelkleur en relief-ornamenten in de plaats.

De beide smalle, evenwijdige lijsten, die tijdens de Régence het ornament nog van het zoldervlak gescheiden houden, verdwijnen nu ook, en, eerst uit het midden en de hoeken, daarna over den geheelen omtrek van het interieur overwoekert het ornament weldra het geheele zolderoppervlak. Tot zelfs het ornament van deur- en vensterbekroningen overgaat in de algemeene woekervegetatie, en deze ornamentatie van uit een in groote trekken golfvormig fries straalsgewijs naar de midden-zolderrozet groeit.

De consoles verliezen hun constructieve beteekenis; aanvankelijk nog symmetrisch, worden het daarna asymmetrische wandversieringen, dienend om er een beeldje of buste op te plaatsen.

Bij voorkeur worden de vertrekken in de lengte-richting uitgebreid; de hoeken van deze galerij en worden, evenals de overgang van wand naar zoldering, afgerond.

Voor het uiwendige worden geen nieuwe vormen toegepast, maar draagt de architectuur een nuchter barok- of armoedig klassicistisch karakter, in groote tegenstelling met he^ inwendige. Het Rococo gebouw is als „een schelp, die haar paarl niet te pronk leit". Als de rijkdom van het interieur ook uitwendig aan den gevel tot uiting komt, bevindt de aanschouwer zich niet op Franschen bodem. Aan den gevel een terugkeeren naar vroegere vormen, doch steeds minder rijk; vlak en onversierd, wordt in den regel de gevel arm. De rustica van de

Sluiten