Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXXIII. BAROK EN ROCOCO IN DUITSCHLAND, j OOSTENRIJK, ZWITSERLAND EN TSJECHO-SLOWAKYE. I

1. IL-w—sü^'/JlE RENAISSANCE IN DUITSCHT AND VRRTOOMnp DPPnc \/ai\t

den beginne af een neiging naar het barokke, daar ze niet was gebaseerd op studie van de klassieken, wat betreft het constructieve princiepe, maar aansloot bij den zin voor overladen decoratie, die ook in het Laat-Gothische tijdvak in

Duitschland zoo sterk naar voren kwam.

Na de godsdienstoorlogen was overal een groote achteruitgang in de algemeene cultuur waar te nemen. De 30-jarige oorlog was de oorzaak van armoede, verval en verwildering alom in de Duitsch-sprekende landen, en na dit tijdperk moest, bij gebrek aan eigen bouwkundigen, de hulp worden ingeroepen van buitenlanders, terwijl bovendien bleek, dat de kennis van techniek en ambacht bij de ambachtslieden eveneens sterk was achteruit gegaan.

De buitenlanders brachten plotseling geheel andere opvattingen mede dan die van de Renaissance, waarmede voor 30 jaar de Duitsche bouwkunst eindigde. Zoodat geen sprake kan zijn van een geleidelijke ontwikkeling, maar bij het intreden van een tijdperk van betrekkelijke rust heerschte elders een gewijzigde wereldbeschouwing. In Noord-Duitschland werken Hollandsche bouwmeesters in Palladiaansche richting; in Zuid-Duitschland zijn het vooral Fransche meesters, die hun invloed doen gelden, terwijl in Oostenrijk vele Italianen werkzaam zijn.

De Barok, die een eeuw lang alle bouwkunst in het Duitsche rijk beheerscht, wordt opgevolgd door de Rococo, die hier meer zich gelden liet dan in welk ander land ook, en die ten slotte verdween voor den Zopfstil, de Duitsche Lodewijk XVI-stijl.

Tengevolge van de barokke opvatting in het Renaissance tijdvak, weken in Duitschland de grondbeginselen van den Barok, wat het constructieve princiep aangaat, niet zoo sterk af. Toch is ook hier de tegenstellig geldig van eenerzijds een architectuur gebaseerd in algemeene trekken op een zekere zuivere verhouding tusschen constructieve onderdeden en de versierende elementen, en anderzijds het hoofdstreven naar grootsche massa's en tegenstelling in de onderdeden. Deze voorliefde voor groot en grootsch is het Duitsche volk tot heden toe bijgebleven.

Vorsten zoowel als de kerk trachtten blijvenden indruk te maken op het volk door het bouwen van groote paleizen en monumentale kerken. Vooral in het Katholiek gebleven Zuiden van Duitschland werd hiervoor de hulp ingeroepen van de Italianen, die hier, met behulp van Italiaansche werklieden, zuiver Italiaansche bouwwerken oprichtten. Totdat ten slotte de bouwkunst eindigt met overal zich te onderwerpen aan de steeds meer veldwinnende Fransche invloeden.

Dezelfde tegenstelling van het constructieve valt ook in het decoratieve op te merken.

Sluiten