Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIER-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK

Van de stad, waarheen we op reis zijn, en mijn twijfel over haar bestaanbaarheid.

Wij liepen langs een stil, breed water met de maan in den rug. Het struikgewas langs den oever aan de overzij zag er vormeloos uit van saamgeklompte schaduw, doch het weerspiegelde zich zoo helder en feilloos geteekend, dat ieder blaadje van de omgekeerde beeltenis zichtbaar was.

„Waar we morgenochtend aankomen," zeide Valentijn, „zullen we misschien al iets over de geelgrijze reiskoets kunnen booren,'' en een oogenbhk later hijgde hij:

„Frido,,/|p£ ** *** genade."

„Op voorwande, uat je me schadeloos stelt met het vervolg van je geschiedenis," gaf ik bescheid, terwijl ik mijn stappen verlangzaamde.

„Goed," sprak hij, „hoewel er niet veel meer over is om te berichten. Nog dikwijls ontmoette ik zoo Catharina binnen oeroude muren vervuld van angsten en vernietiging, zeker omdat een demon, die door mijn vertwijfeling macht over mij had gekregen, mij er heen had gebracht. En telkens moest ik zulk een droevig samentreffen met een tijd lang roerloos liggen ergens op een gasthuisbed bekoopen.

199

Sluiten