Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

constructie van een volksmuziek, zooals zij beoefend werd, be* oogde, blijkt wel uit de instrumentatie van het zestal zijner Rapsodieën, dat hij voor orkest arrangeerde en waarin hij de bezetting van Zigeunerorkest niet handhaafde en het cymbalum door harp vervangt, en het slechts eenmaal uitdrukkelijk voor* schrijft, in de 3de (naar de 6de voor klavier).

Over Liszt's inderdaad effectvolle Hongaarsche Rapsodieën is later veel kwaads gezegd. Een brillante tafehnuziek, meent zelfs Huneker. Zij blijven scheppingen van Liszt's bloed, van Liszt's temperament, veredelde virtuozenstukken, en zij spre* ken niet minder van Liszt's ridderlijk en pronklievend idealisme dan zijn beroemdste klaviercomposities, waarin de sporen van zijn „zigeuner"«techniek evenzeer aanwijsbaar zijn. (Rosenthal concludeert als van het cymbalum afgeleid, „de octavengangen, en de passages, die over beide handen zijn verdeeld, die ieder, naslaand, een toon of een akkoord overnemen"!)

De Operasparaphrasen.

Wat de opera#paraphrasen — 36 in getal — betreft, zij zijn voor ons verouderd, d. w. z. voor onze muziekopvatting klinken deze geweldige sonoriteiten en dat passage*werk wat hol. Maar wij moeten ze gespeeld denken door een man als Liszt, die uit iedere passage, iedere versiering in zijn spel muziek schiep, die deze klanken*cascades liet sproedelen en vonken als een waaier van waterdroppen in de zon en met wilde, opzweepende cres* cendo's in de pompeuste passages de echo van breede orgel* klanken liet hooren en ze al spelend tot romantisch*muzikale beelden deed worden. Grunsky zegt: „Bekende melodieën van Mozart, Auber, Bellini, Rossini, Meyerbeer, Verdi, die men ge* zongen in het oor heeft, verschijnen er in aangewend, doch win* nen een nieuwe uitdrukking door hun middenligging op het kla* vier met een begeleidend spel der hooge en lage klankenreeksen, zooals men ze nog niet gehoord had." Liszt vervlecht soms twee melodieën met elkaar, zooals in de fantasie op „Robert le Diable", waarin de Bertram*aria uit het derde bedrijf met de aria van het nonnenballet samengaat, volgens Berlioz, „onbe* schrijfelijk van dramatische werking".

Terecht is de opmerking gemaakt, dat in Liszt's paraphrase van „Robert le Diable" meer „duivelsch" steekt dan in de ge* heele opera van Meyerbeer. Liszt's genie ging ten slotte aan deze „fantaisies brillantes", die hij ter wille van zijn pubhek schreef, niet voorbij zonder er sporen in achter te laten. Ook de „Rigoletto"* en „Troubadour"*phantasie zijn in hun soort twee meesterwerken, gedacht in den geest der symphonische opera* ouverture.

125

Sluiten