Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XVII.

De OrkesUmuziek.

Een jeugdideaal van Liszt was concerten te geven in de schilderijenzaal van het Louvre; de beeldende kunst inspi* reerde hem, evenals de litteratuur. Voor Liszt's kunst kan niet gelden, dat in de romantiek de dingen alleen maar „blinken"; een feit is het, dat zonder de romantiek, zonder Rousseau, „Obermann" en Hugo de „Années de Pèlerinage" en de Berg* symphonie niet kunnen bestaan hebben; dat zonder Dante's Divina Commédia deze grootsche concepties, die culmineeren in de Dante*symphonie, Liszt niet zijn geheele leven konden bezig gehouden hebben; dat zonder Lamartine, Byron en de andere groote zangers der romantiek, Liszt's kunst een van haar machtigste aansporingen zou hebben gemist voor haar vlucht in het universeele, waar „de kalmte der ziel het aardsche bestaan van zijn ziekelijkheid bevrijdt." De verschillende kunsten stam* men van gelijke zielsaandoeningen. „Alle kunsten ontspringen aan eenzelfde bron" schrijft Liszt in zijn artikel over Clara Schumann. „De zin, niet de manier van uitspreken, beslist over den voorrang in de hiërarchie van het schoone. De kunsten zijn een incarnatie van het aan het gevoel geopenbaarde schoone in een aan de idee gelijkwaardigen vorm. Naar geboorte zijn zij gelijk."

De programma*achtige voorreden, die Liszt aan verscheidene van zijn grootere scheppingen meegaaf, rechtvaardigt hij in dit verband dan ook te zijn „een voorbereidende wegwijzer naar de geestelijke drijfveeren, die een componist zijn werk deden schrijven en die, onder den invloed van bepaalde indrukken op* gewekt, hij ook den toehoorder ten volle bewust wil laten won den, wanneer zij een integreerend deel van het geheel hebberi uitgemaakt." Daarom, de schilderingen, die Liszt van zijn helden in zijn muziek ontwerpt, zijn geen programmatische „illustra*

127

Sluiten