Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

152

geveer 200 H.A. door den staat, de gemeenten enz. en pl.m. 1100 H.A. door particulieren. Van 1913—1922 waren deze cijfers respectievelijk 1180, 655 en 525 H.A.

Er zijn vele redenen, waarom de particuliere ondernemingsgeest in den boschbouw niet tot zijn recht kan komen.

1". De boschbouw is alleen economisch uit te oefenen als grootbedrijf en ons land heeft zeer weinig groot grondbezit.

2°. Er moeten groote kapitalen in worden vastgelegd met een zeer langen omlooptijd, die gewoonlijk slechts lage rente geven.

3°. Het particuliere bezit geeft niet voldoende waarborgen voor normale exploitatie en langen duur.

Verkoopingen en deelingen, die vaak gepaard gaan met aanstelling van een nieuwen beheerder, zijn zeer storend. Het particuliere vermogen is daartoe aan te veel schommelingen onderworpen, waarop de bepalingen van ons erfrecht, die vaak deeling noodig maken (art. 961 B.W.) en fideicommissen slechts op zeer beperkte schaal toelaten (art. 926 B.W.), van grooten invloed zijn.

4°. Ernstige belemmeringen, in den vorm van zware belastingen, werden vooral in den laatsten tijd aan het voortbestaan van het particuliere bosch in den weg gelegd %

Dat geldt in de eerste plaats voor de successiebelasting, die enorm zwaar drukt en de hoofdoorzaak is van het uiteenvallen van vele landgoederenOok de inkomsten- en vermogensbelasting, en in sommige gevallen de forensenbelasting drukken onevenredig zwaar voor bosschen en landgoederen, die dikwijls slechts met opoffering van veel kosten kunnen worden in stand gehouden.

Zeer veel hangt hier af van de toepassing dier wetten, speciaal van de taxatie. Het wordt den eigenaren van landgoederen toch onmogelijk gemaakt hunne bosschen in stand te houden, als de belasting geheven wordt naar de verkoopwaarde, die de gronden na parcelleering of als bouwterrein zouden hebben.

Na herhaald aandringen van den Boschraad en van andere deskundige zijde, werd eindelijk bij Koninklijke Boodschap van 30 Maart 1926 een wetsontwerp ingediend, dat beoogt de inkomsten uit opgaand hout aan de wet op de inkomstenbelasting

1) Nota van den Boschraad inzake het behoud van Bosschen en Landgoederen van 12 Maart 1925.

2) Eenige verlichting bracht de wet van 28 Dec. 1926 (Stbl. 429).

Sluiten