Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IO

W. H. IDZERDA

De jongeren n.1. wezen op het feit, dat öf een lens scherp of onscherp teekende, beide resultaten „foto's" waren, verkregen met behulp der middelen waarover de fotografie beschikt; de ouderen accepteerden deze waarheid niet. Zij stonden nog midden in de periode, gericht op het verbeteren van het fotografische beeld, d.w.z. met behulp van scherpteekenende lenzen en wel over het geheele gezichtsveld, langs de kanten en in het midden. Hierop was toch het streven der optici in de jaren 1860— 1890 gericht. De aplanaat begon in 1866 hun dat te geven, de anastigmaat gaf dit in 1890—1893 en later, ten volle.

De renaissance nu, het opnieuw opleven der kunstfoto, is in ons land mogelijk wel het eerst begonnen met H. J. Tollens C.Hzn. in 1888, ter tijde fotograaf te Dordrecht. Tollens ontving zijne eerste bekroning te Lübeck in dat jaar. Hij week van zijn collega's af in den vrijen opzet en eigenaardige motiefkeuze, toen een gewaagd experiment. Tollens is echter geen baanbreker geworden, iemand, die een „school" vormt, dus die zich stout door alles heenslaat en de leiding neemt. Hij bleef wat hij was, en wendde daarbij zijn blik helaas meer naar Duitschland, dan naar ons land.

Circa een 10-tal jaren later, komen anderen opduiken, welker werken destijds te zien waren op de eerste Internationale Tentoonstelling van Kunstfotografie te Groningen in 1901. En wel Joh. F. J. HunssEifte Bloemendaal, P. M. G. M. van Haaren te Arnhem, A. Schram, Ign. Bispinck .en schrijver dezes, ter tijde allen amateurs. Schram heeft spoedig zijn lier aan de wilgen gehangen, Bispinck is niet in kunstfotografischen zin doorgegaan; wel echter, tot op het heden toe, wat waarlijk belangwekkend is te noemen, Huijsser en van Haaren, deze pionieren zijn rt 25 jaar liefhebber gebleven en staan nu nog aan de spits. Wat betreft mijzelf, heb ik mij in de laatste jaren, geworpen op de kinematografie en wat daarmede in verband staat. Van Haaren is de nestor der Nederlandsche Kunstfotografische wereld. Deze jonge, oude heer, is nu nog even onversaagd en doorzettend, als toen ik hem, zoo langen tijd geleden, voor^het eerst mocht ontmoeten.

Alle anderen thans zeer bekenden, wier werken men in dit boek vindt, behooren tot de jongeren (Berssenbrugge, Eilers, Wiegman, Engel, enz.). Nu moet men niet denken, dat door het werk van bovengenoemde amateurs, plotseling de kunstfotografie herleefde ! Neen, het is hier te lande langzaam gegaan, in weerwil van de vele zeer interessante tentoonstellingen ('s-Gravenhage 1904, Amsterdam 1908, e.a,). Het is de verdienste der jongeren, dat zij> tredende in de voetsporen der zooeven genoemde pionieren vóór hen, met ijver en volharding de „goede zaak" hebben

Sluiten