is toegevoegd aan je favorieten.

Nederlandsche jachten, binnenschepen, visschersvaartuigen en daarmee verwante kleine zeeschepen, 1650-1900

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

15e eeuw als de overgang beschouwen van het tijdperk der kogge en overeenkomstige schepen naar eenen nieuwen tijd die van aanvang af een van gestadige uitbreiding en ontwikkeling van den scheepsbouw werd, waarin de Hollanders al spoedig de eerste plaats hebben ingenomen. Van dien tijd dateert de toenemende grootte der Nederlandsche zeeschepen zooals wij die in de .Informatie" bij Amsterdam, Hoorn en Enkhuizen als . maersscepen" of .zeescepen" zien, naast de met name genoemde kleinere kustvaarders als hulken en boejers. Hierbij is op te merken dat in de daaraan voorafgaande Informatie van 1496 .maersse schepen van 60 last, deen minder, dander meer" worden genoemd (uitg. der .Informatie" pag. 667). Witsen behandelt in het 7e hoofdstuk uitvoerig den karveelbouw in Nederland omtrent het jaar 1520, toen de scheepsbouw, zooals hij zegt, bij ons reeds op hoogen trap stond en gevolgd werd naar vaste wetten en maten. Karveel werd bij ons eene benaming voor groote zeeschepen en tevens voor de groote binnenvaarders die de ruime wateren bevoeren. Zoo vindt men in .Historie van Enkhuisen" 1666 door Egbert van den Hoof, eene opgave van 1542 der kort daarvoor verloren 16 of 17 schepen, die bijna alle als karveelen staan vermeld; de meeste zijn .groote karveelen" waaronder 3 van 250 en 5 van 300 last die eene waarde hadden van 6500 tot 10080 Karolusgulden Zulke schepen ziet men bij menigte op de houtsnedekaart van Amsterdam in 1544 van Kornelis Antoniszoon, zij zijn van achteren hoog opgebouwd en steekt het voorkasteel nog buiten den steven met den fokkemast onmiddellijk daarachter. Het zijn voornamelijk driemasters met aan den fokke en grooten mast een mars, vaste steng en marszeil, ook zijn er eenige viermasters bij, waar de voorste bezaansmast eveneens een mars en eene steng heeft en twee Latijnsche zeilen boven elkaar. De scheepsvorm is door het overhangend voorkasteel nog zeer ouderwetsch, te meer daar ook het achterschip onder den vierkanten opbouw van ouds rond is. Slechts bij enkele heeft reeds de nieuwe bouwwijze met een platte afsluiting toepassing gevonden, als voorbeelden van het zich baanbrekend spiegelschip, zie nader pag. 256. Volkomen gelijk aan bovengenoemde schepen is ook Witsen's afbeelding van een viermastig karveel dat hij heeft gekend als geschilderd tegen het in 1500 gemaakte wulf van de kerk te Diemen (Bijvoegsel pag. 10). De benaming karveel is blijkbaar bij deze zeeschepen tegelijk met hunne antieke gedaante en het verouderde tuig afgeschud, want in het einde der eeuw heeten de spiegelschepen zooals de grootste der 0.-Indiëvaarders eenvoudig .schip", waarnaast het kleinere soort .jacht" en .pinas". Langer bleef zij in gebruik bij de reeds genoemde groote binnenvaarders, waarschijnlijk is het onder de Enkhuizer schepen in 1542 vermelde .kleen

45