is toegevoegd aan je favorieten.

Nederlandsche jachten, binnenschepen, visschersvaartuigen en daarmee verwante kleine zeeschepen, 1650-1900

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

karveelschip waerdig 800 guldens" daar toe te rekenen of was dit mogelijk een kustvaarder. In zekeren getale zullen zij Zich onder de vele binnen' schepen op bovengenoemde kaart van 1544 bevinden, waarbij ik opmerk, dat geen der vaartuigen zwaarden heeft, wat wel het geval is op de kaart van Amsterdam door Pieter Bast in 1597. Wegens anderzijds gebleken betrouwbaarheid der kaart van 1544, geloof ik dat ook de schepen naar werkelijkheid zijn weergegeven, hetgeen spreekt uit eenige tochtschuiten, zooals ons bekend is met een roefje en onmiskenbaar aangeduid door de boomen voor het drijfnet langszij. Hoe een in dien tijd bestaand en tot in de 19e eeuw onveranderd gebleven scheepstype steeds zonder zwaarden heeft gevaren, terwijl andere, vermoedelijk allengs plomper geworden schepen die in 1600 en daarna wèl voerden, moge uit den fijn besneden romp van het waterschip blijken, zie pL 47. De .wijde en smalle carveels" van de 2e helft der 16e eeuw hebben wij in verband met .smal-coggeschepen" en .wijd- en smalschepen" als de oude vormen der latere tjalken te beschouwen, waarvoor ik verwijs naar de Inleiding van hoofdst III, voornamelijk pag. 162, 164 (karveel als veerschip van Stavoren op Amsterdam, en van Gouda op Walcheren) en de uittreksels op pag. 165 tot 169.

Waar karveel reeds lang niet meer als scheepsnaam wordt gebruikt zoo dient het woord nog voor aanduiding van gladde huidbeplanking.

BAARDZE

De baardze kennen wij voornamelijk uit het gebruik ten oorlog, gelijk Witsen zegt op pag. 483: .Een soort van schepen eertijdts in Hollant gebruikelijck, die men ten krijge toerusteden, zoo binnen als buitens duins." Als zoodanig komt zij veelvuldig voor in de 14e, 15e en 16e eeuw en hoewel zij ook voor den handel dienstig was (Vogel „Gesch. der Deutschen Seeschiffahrt" pag. 499) moeten wij ons de baardze denken als eene meer volmaakte opvolgster der oude oorlogskogge. Zoo weten wij van 18 Mrt 1343: „Sal die stede van den Briel dienen den Heere van Voerne met eenre baerdse van twaalff dochten mit eenen stierman mit vier scutters, mit eenen banierdragher, ende mit niet meer luden", alsmede van een bevel van Jacoba van Beieren in 1418: .Want wy verstean dat groit gebrec is in onsen landen van Zeelant van heercoggen, ende roeyschepen. So ombieden wy, ende bevelen allen onsen Ambochtsheren in onsen landen van Zeelant dat men op elke 2 M (2000) gemet ambochts een bairdze make van 32 riemen, of meer (F. van Mieris .Groot Charterboek der Graaven van Holland, van Zeeland en Heeren van Vriesland," II pag. 676 en IV pag. 484). Om den Ooster-

46