is toegevoegd aan je favorieten.

Nederlandsche jachten, binnenschepen, visschersvaartuigen en daarmee verwante kleine zeeschepen, 1650-1900

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schen oorlog met succes te kunnen voeren, moesten in 1438 door een aantal steden en dorpen in Holland en Zeeland 80 baardzen gebouwd worden; uit deze gevechten worden met name de Enkhuizers gezegd met den bezem in den mast gevaren te hebben (Wagenaar .VaderL Historie" en E. v. d. Hoof .Historie der vermaerde zee- en koop-stadt Enkhuis en" 1666 pag. 23). In 1480 verbond zich het Amsterdamsche Doelen-gilde (schutterij) om twee baardzen te onderhouden (Witsen .Architectura Navalis" pag. 578) en in 1504—05 bouwden zij de groote galjoot die vermoedelijk meer het aanzien eener galei had. Deze oorlogsbaardzen waren welbezeilde schepen, die bij windstilte konden worden geroeid, zooals blijkt uit eene die tijdens den Gelderschen oorlog door Hoorn in 1518 te Edam werd gebouwd, welke zeer goed zeilde en met veel riemen was voorzien (zie pag. 200). Voor de betrekking tot 16e eeuwsche Nederlandsche galeien verwijs ik naar het hier volgende Zeinschip, verder vindt men op pag. 96 roeibaardzen vermeld bij het bezoek van prins Willem I aan Amsterdam in 1580. Als zeeschip kennen wij de baardze nauwkeurig uit de gravures van den meester W. A. (zie pag. 37) waarbij een soortgelijk schip als , bar ge", blijkbaar dezelfde naam in een anderen vorm (zie de verschillende benamingen bij Vogel .Gesch. der Deutschen Seeschiffahrt" pag. 498). Deze gladboordige, met berghouten voorziene rondgebouwde schepen hebben een vóór- en achterkasteel, welk laatste een opgetimmerd halfdek is, een primitieve vorm van het latere oploopend achterschip. Er zijn drie masten tw. een groote mast met razeil en mastkorf, een zeer kleine fokkemast eveneens met een razeil en een zeer achterlijk geplaatst bezaantje met een Latijnsch zeil. De boegspriet diende enkel om het anker te lichten, waarvoor hij met een katrol is voorzien.

ZEINSCHIP

Zagen wij de baardze in de voorgaande bespreking o.m. als een zeewaardig oorlogsschip, zoo treffen wij het zeinschip enkel aan bij krijgsbedrijven op de binnenlandsche wateren, voornamelijk op de Zuiderzee in de Geldersche oorlogen. J. C. de Jonge .Geschiedenis van het NederL Zeewezen" 2e dr. I pag. 26, zegt dat zij hier algemeen in gebruik waren in het begin der 16e eeuw, zoodat zij reeds vroeger bestonden. Hij noemt ze als wachtschepen in de zeegaten en op de rivieren om die tegen vijandelijken overval te beveiligen, alsmede de koopvaarders te waarschuwen en te helpen, In hetzelfde werk wordt op pag. 107 gesproken van .dubbele zeinschepen" als zijnde een grooter soort Nadere bijzonderheden vindt men bij Witsen .Architectura Navalis", pag. 187: .Van oudts wierden hier te lande smak-

47