Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE DRIE DEUREN

„En als je nagaat, hoe ik mij als kind altijd groen en geel ergerde, omdat meisjes zoo weinig tellen, niet „kerkelijk meerderjarig" worden, niet meegelden voor „mezomme" en voor „minjan", niet eens het gebed voor de nieuwe maan mogen zeggen —dan begrijp je hoe ik dat vond, dat ik den jongens hun „barmitswo-parsje" instampen mocht".

„En heb je het dien Schloume toen nog gevraagd, of hij zich het voorval herinnerde?"

„Neen, ik heb het hem niet kunnen vragen".

Neen, ik heb het hem niet kunnen vragen. Ik ontdekte alom meer bekende gezichten —, ze sprongen naar mij toe, uit die volle zaal, zooals de sterren uit den hemel, in het schemeruur, het vorschend oog schijnen tegemoet te springen ■—, en elk nieuw, oud gezicht werd jong en wekte andere heugenissen.

En toen was de voorzitter klaar met zijn mededeelingen en met zijn „inleidend woord" en hij gaf het woord aan „de spreekster van den avond". Maar de „spreekster van den avond" die nooit overmatig veel last had van plankenkoorts en overigens al sinds jaren door de wol is geverfd ... moest zich nu toch eerst even omkeeren en in haar taschje frommelen...

Was het niet Heine, die zei, dat aandoenlijkheid altijd eindigt ... met een zakdoek?

53

Sluiten