Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nacht verdwaald is, uitgehongerd en wie weet

gewond of ziek.

Hij is al uit bed, loopt op z'n bloote voeten naar het venstertje, en trekt het voorzichtig open om den vogel niet te verschrikken* Maar nu hij de handen uitstrekt om hem te grijpen, is er heelemaal geen vogel* Wel beweegt voor zijn oogen even iets wits door den maneschemer over het kerkplein vóór hem. Meteen hoort hij een oude klagende stem van de zijde der twee fronttorens...... „Introïbo......" En nu hij scherp

kijkt, onderscheidt hij daar duidelijk voor de breede portiek de gestalte van een priester in misgewaad, een groot wit kruis op de zwarte kazuifel, den kelk met zwart overdekt in de handen*

„Och", denkt Rivalain, „hij wil een nachtmis voor de arme zielen lezen, maar vindt geen misdienaar op dit ongewone uur* Gelukkig dat ik er ben". Zonder bedenken wipt hij het venstertje uit. 't Gaat zoo licht en gemakkelijk alsof hij Zweeft* En hoe doorzichtig is de nacht. Over het plein* dat toch leeg is, gaat een lispelen en zuchten als van veel bidden. „Het zijn tóch de arme zielen", denkt Rivalain. Maar in plaats van hem bang te maken, moedigt die gedachte hem aan om nog vlugger voort te ijlen. Hij weet immers heel zeker, dat die priester zijn nachtmis wil lezen voor haar eeuwige rust.

„Introïbo ad Altare Dei."

Rivalain knielt reeds achter de schaduwgedaante in de portiek, en met zijn klare kinderstem antwoordt hij: „Ad Deum qui laetificat

ii

Sluiten