Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toe en liet er zich in glijden, greep de riemen en roeide schuinuit de zee in tot hij voor den burcht terecht kwam in de klaarte, die door de open vensters en deuren uitscheen over de avondzee. Toen Het Laurik de riemen rusten en, terwijl het scheepje wiegde op de deining van het goudglanzige water, en de dansmuziek van de houten fluiten en de snaartuigen droomig naar de verten verstierf, zag hij uit naar de walomgangen. Het Zou immers ieder oogenblik kunnen gebeuren, dat de gasten door de zaaldeuren op die breede terrassen kwamen om zich tusschen de rozen en niimosas te verpoozen in den zoelen avond. En dan onder die gasten, de gastvrouw zelf. Laurik zou haar wel terstond herkennen, ook in dit halfduister.

Zóó hield de herinnering aan Katels houding en gang hem bezig, zóó duidelijk zag hij haar voor zijn oogen zooals hij haar zag voor het laatst tusschen de vrouwen en dochters aan den havenkant van Kerangosquar, dat hij nog meende voort te droomen, toen hij over de borstwering een jonge vrouw zag buigen, geheel van gestalte en houding aan Katel gelijk, die wuifde met haar sluier als om hem te roepen, zóó aanhoudend en dringend, dat Laurik de riemen in het water diepte, en te verwonderd om ontroerd te zijn, naar de landingsplaats roeide aan den voet van den burchtmuur»

Langs de breede trap, die van het walterras afdaalde, kwam de vrouwe naderen, een mantel van rozerood fluweel met goudborduursel droeg Ze over haar rozerood zijden kleed, een parelen

179

Sluiten