Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

na den maaltijd, nu zijn bezoekers oorlof hadden gevraagd tot vesperbidden in de afgelegen gastenkamer. Even talmde ze, nog de hand in de plooien van den opgeheven voorhang, maar toen haar vader ter begroeting zich ophief, ijlde ze toe en eer ze 't wist, lag ze neergeknield voor hem, zijn handen grijpend in de hare en haar hoofd verbergend in zijn schoot.

„Dahuut?" vermocht Grallon eindelijk te vragen. „Welk onheil is u overkomen?** Want nog nimmer had hij haar trots zoo gebroken gezien, haar starre koelheid zoo week weggesmolten.

„Laat Rivoal en zijn zoon niet heengaan dezen nacht**, snikte ze.

„Waarom, mijn kind? Zeg waarom? Zonder redenen weerhoud ik hen niet van hun strenge voornemen Dreigt hen gevaar?"

„Vader", prevelde ze, en voor het eerst hoorde Grallon innigheid en ontroering in haar stem: „het is gekomen buiten mijn wil, sterker dan alles in me......" Ze kuste zijn handen en zag hem aan,

beschroomd bijna.

Een diep geluk straalde warm door haar tranen heen. „Dit is de liefde, waarvoor ik zwichten wil zonder verder vragen of bedenken......

Rivoals zoon heb ik hef, hem, Corentijn".

En voor 't eerst legde ze het hoofd aan Grallons hart, dieper zich nestelend in zijn omarming, de oogen gesloten in haar zwijmel van verlangen. En almaar streelde Grallons hand over haar handen, steeds zachter, steeds voorzichtiger. Hij kreunde.

„Het moest wel gebeuren, Dahuut. Maar zoo?

199

Sluiten