Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

175

candida Nesaee, caerula Cymothoe. 16

sed tibi subsidio delphinum currere vidi, 17

qui, puto, Arioniam vexerat ante lyram. 18

at tu vix primas extollens gurgite palmas 11

saepe meum nomen iam peritura vocas. 12 iamque ego conabar summo me mittere saxo, 19

cum mihi discussit talia visa metua 20

II. 28a. CYNTHIA'S ZIEKTE.

Iuppiter, adfectae tandem miserere puellae: tam formosa tuum mortua crimen erit?

hoe tibi vel poterit coniunx ignoscere Iuno: 33 frangitur et Iuno, si qua puella perit.

16. NVjffwój en Kvfto&ór} zijn Nereïden, de dochters van den zeegod Nereus, vgl. Hesiod. Theog. 245. 249. caerula i de zeenymfen zijn caerulae, zooals de godin van het gele koren flava Ceres is.

18. Arioniam lyramt — Arionem lyramque erna; hoe de zanger Arion door een dolfijn gered werd, vertelt Herod. I. 23. 24.

puto t de dichter zegt met een zekere ironie, «waarschijnlijk was het dezelfde dolfijn als die Arion droeg".

11. primas . . . palmas: „de vingertoppen", zie CatuU. 2. 8, p. 81.

12. saepe : „herhaalde malen".

19. conabar i „ik was op het punt", vgl. Terent Phorm. 52 at ego oboiam conabar ubi.

mitteret = demittere, vgl. Catull. 17. 23 nunc eum volo de tuo ponte mittere pronmn.

De samenhang is aldus: Propertius zag, dat een dolfijn zijn meisje te hulp kwam, maar het was te laat, want Cynthia was reeds aan het verdrinken (vix primas extollens gurgite palmas); nu wil de dichter in de golven springen, en — ontwaakt. Propertius denkt wellicht aan 't verhaal, dat wjj bij Plutarchus (Mor. 984, E) lezen van den minnaar Enalos, die zich in zee wierp om zijn meisje te redden, en zeil door een dolfijn gered werd.

II. 28a. 1. adfectae t = morbo adfectae, „door een doodelijke ziekte aangetast".