Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

65

Wanneer hij echter meende door zijn vriendschapsbetuigingen den onnoozelen Oostzaner jongen te hebben misleid, had hij het ten eenenmale mis, want die geveinsde en plotseling opgekomen vriendschap had al dadelijk diens argwaan gewekt, vooral omdat zij onmiddellijk ontstaan scheen te zijn, nadat hij zijn voornemen tegen den slaaf te kennen had gegeven om zijn broeder vrij te koopen, zoo hij ooit zoo gelukkig mocht zijn, diens verblijfplaats op te sporen. En evenmin had hij het aan een toeval toegeschreven, dat Hendrik de Hoogh zijn handen langs zijn lichaam had laten glijden, waarbij hij zonder twijfel moest hebben ontdekt, dat hij, Herman Taams, een gordel om zijn bloote lichaam droeg. O, dat hij zich ook zoo onvoorzichtig had uitgelaten! Wat was hij dom geweest! En dat het juist Hendrik de Hoogh moest zijn, die zijn woorden had gehoord, Hendrik de Hoogh, de grootste schurk van alle schurken, die bij Compaan aan boord waren. Hij had zich wel een klap voor het hoofd kunnen geven, maar wat baatte het, al had hij het gedaan ? Hij wist het:

„Het eens gesproken woord, Vliegt als een kogel voort,"

en geen mensch was in staat, het terug te nemen of te stuiten in zijn vaart. Voortaan, dat wist hij nu zeker, had hij een vijand aan boord, die niet rusten zou, voor hij hem van zijn kostbaren schat had beroofd, zelfs al moest hij daar een moord voor doen.

De arme Herman was er totaal van ontsteld, en peinzend bleef hij op dezelfde plek staan tusschen de schreeuwende kooplieden, die voortgingen te koopen en verkoopen.

Eindelijk werd hij van zijn sombere overpeinzingen afgeleid door de komst van een nieuw personage, die aan boord kwam en op hoogen toon den Admiraal te spreken vroeg, 't Was blijkbaar een Europeaan, al was hij in een kostbaar Oostersch gewaad gekleed, en ongetwijfeld moest hij rijk zijn, want hij was in een prachtige boot, onder een tent

De Zeeroover van Oostzaan 5

Sluiten