Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

193

De brief eindigde met de verzekering, dat hij Compaan, zijn gezelschap en zijn heden Gode wilde bevelen, opdat hun geschonken zou worden, wat te hunner zaligheid noodig was.

w.g. Wijbrand Schram.

Het opschrift luidde: „Aan den Edelen en Voorzienigen Sinjeur Klaas Compaan, Kapitein van de schepen N. N. tegenwoordig in de Haven van Siërra Leona."

Deze brief was lang niet naar den zin van Compaan, want als hij aan den wensch van Admiraal Schram voldeed, lag daarin opgesloten, dat hij vrees voor hem koesterde. Nu was dat inderdaad wel het geval, maar hij wilde het liever niet laten blijken. Hij zond dus een gezantschap van zes personen, keurig uitgedost, naar de Hollandia, onder bevel van zijn stuurman Jan Simonsz. Struijf, om den Admiraal te verzoeken, of hij op de reede blijven mocht.

De Admiraal wenschte alleen den stuurman bij zich in de kajuit te ontvangen. De overigen, hoe mooi uitgedost ook, moesten op het dek blijven, waar het verre van prettig voor hen was, want het regende dat het goot, zoodat het water hun uit de kleeren droop. Zij werden echter rijkelijk van wijn voorzien in de hoop, dat hun tongen daardoor los zouden komen en zij gemakkelijk uitgehoord konden worden.

Onder die zes hoorde ook Herman Taams, die verheugd was van deze gelegenheid gebruik te kunnen maken, om zijn vriend Aris Pigge te ontmoeten. De beide jongelieden waren dolblij elkander te zien, en Aris bracht zijn vriend Herman naar een droog plaatsje, waar zij ongestoord konden praten over Oostzaan en over hun ouders, vrienden en kennissen. En Aris deed alle pogingen om Herman over te halen, het zeerooversschip te verlaten en een fatsoenlijk leven te gaan leiden, waaraan Herman echter niet kon voldoen, voordat het hem gelukt was, zijn broeder te ontmoeten en hem te verlossen uit zijn ellendig leven.

„Maar dan," zoo besloot hij, „zal ik ook onmiddellijk het zeerooversbedrijf vaarwel zeggen en naar het vaderland terugkeeren."

De Zeeroover van Oostzaan 13

Sluiten