Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

69

de oevers ontstond een voor het algemeen belang hoogst nadeelige strijd tusschen de wederzijdsche oevereigenaren1).

Zoolang echter de Provinciale Staten in de verschillende provinciën de hoogste macht uitoefenden, was het bij zoovele tegenstrijdige belangen ondoenlijk een algemeen waterrecht vast te stellen, In 1804 werd hierop aangedrongen door den InspecteurGeneraal Brunings, en reeds bij de wet van 24 Febr. 1806 werd een algemeen rivier- en waterrecht voor de rivieren en stroomen der Republiek vastgesteld. Deze wet gold ook tijdens hetKoninkrijk Holland en de Fransche Overheersching (1806-181 ), en bij K. B. van 8 Maart 1822 No. 94 werd bepaald, dat zij geacht moet worden van kracht te zijn gebleven.

Nu was voortaan verboden eenige werken, kribben, beplantingen, zalmsteken, veerdammen of kaden aan te leggen, te veranderen of te verhoogen, buiten toestemming van den Waterstaat.

Door de Staatscommissie van 1821 was voorgesteld den toestand der rivieren nauwkeurig op te nemen en goede rivierkaarten te maken, daar het haar voorkwam, dat de bepalingen der wet van 1806 niet te handhaven waren, omdat bij een overtreding niet was aan te toonen, hoe de toestand daarvoor was.

Waren de kribben vroeger vaak niet gelegd uit het oogpunt van rivierverbetering, dit was natuurlijk wel het geval met die, welke na 1806 gelegd zijn.

Na het Rapport van de Inspecteurs van den Waterstaat is mén ook met het verbeteren van de stroombaan van de Maas begonnen, zij het ook op kleinere schaal.

Intusschen namen ook de plannen voor het dichten van het Gat van St. Andries vastere vormen aan. In 1837 was dit reeds eenigszins beteugeld door het leggen van een krib, die in 1839, 1842 en 1845 tot 150 M. verlengd was2).

In 1850 hadden de Inspecteurs bij hun voorstellen 10.000 gld. uitgetrokken voor de dichting, en op de begrooting van 1852 werd een bedrag van 5.000.— gld. hiervoor uitgetrokken.

Desniettegenstaande werd den Minister na de Conferentie, welke den 18den Januari 1852 tusschen de Inspecteurs en de Provinciale Hoofdingenieurs plaats had, voorgesteld verdere

*) Rapport Staatscommissie 1821, alsv. bldz. 322. 2) De Nederlandsche Hoofdrivieren en hun plannen tot verbetering, alsv. Deel I. bldz. 87.

Sluiten