Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

125

Daar het voor een goede regeling van de zaak noodig was, dat de belanghebbenden vereenigd zouden zijn, werd door de Provüiciale Staten van Noord-Brabant bij besluit van 11 Nov. 1852 opgericht het waterschap voor de uitwatering van de Maasstreek van Grave naar den Amer1). Dit besluit verkreeg de Koninklijke goedkeuring 3 September 1853.

Het kwam zelfs zoover, dat de Regeering in het zittingsjaar 1853-1854 bij de Staten-Generaal een wetsontwerp indiende, tot het verkenen van een bijdrage van f 1.000.000 in de kosten van aanleg van een uitwateringskanaal van Grave naar den Amer. In de Memorie van Toelichting werd onomwonden verklaard, dat op den Staat de zedelijke verplichting rust, om een groot deel van Noord-Brabant, dat telken jare, soms tot laat in den Zomer geteisterd wordt door hooge waterstanden, te helpen bij de pogingen om uit dien toestand te geraken.

Omstreeks denzelfden tijd werd het bestaan der overlaten in de Algemeene Omkading reeds als een drukkenden last gevoeld. In 1853 verzocht het Bestuur van dat waterschap van de jaar lij ksche opening daarvan ontslagen te worden. Bij ministerieele beschikking van 22 Augustus van hetzelfde jaar werd echter bericht, dat er tegen inwilliging van het verzoek geen bezwaar zou zijn, indien de toestand van de Maas beter was en deze in staat zou zijn, ook ingeval van ijsstopping, zich zelf te redden, maar dat vooralsnog op het verzoek niet gunstig beschikt kon worden a),

In 1860 vroeg bedoeld bestuur machtiging tot het laten vervallen van de overlaat in den Hollandschen dijk, waarop de Minister van Binnenlandsche Zaken 20 December 1860 antwoordde, dat de vraag nopens het doen vervallen der overlaten een punt van ernstige overweging uitmaakte, en dat dus daarom nog geen beschikking op het verzoek genomen kon worden 3).

Bij schrijven van 9 Januari 1862No. 151,3de afdeeling, werd door dien Minister aan het bestuur der Algemeene Omkading vergund, de kade, welke zonder de vereischte machtiging voor de overlaat bij Vlijmen gelegd was, te behouden, maar de kruinshoogte zou tusschen 15 November en 15 April niet meer dan 4.00 M. + A.P. mogen bedragen *).

1) Geschreven Resolutiën Staten van N.-Br., alsv. 1852. bldz. 97.

2) Leemans: Sluiting Overlaten, alsv. bldz. 4. ») id.

4) id.

Sluiten