Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GEMEENTEBEGROOTING EN BEGROOTINGEN TAKKEN VAN DIENST

67

staten grooten invloed op de huishoudelijke aangelegenheden der gemeente, ook in gevallen, waarin een speciale goedkeuring, als die bedoeld in art. 228 der gemeentewet, niet wordt vereischt. Juist omdat, zooals wij reeds opmerkten, de wet niet bepaalt door welke overwegingen zij zich bij de goedkeuring der begrooting moeten laten leiden, is aan gedeputeerde staten groote invloed toegekend op het beheer der gemeente in zijn vollen omvang. Het is dan ook geen wonder, dat in de literatuur talrijke klachten zijn te vinden, dat gedeputeerde staten de beoordeeling der begrooting hebben aangegrepen als een middel, om in een bepaald geval bevoegdheden tot zich te trekken van den raad, die krachtens grondwettelijke bepalingen is belast met de regeling en het bestuur van de huishouding der gemeente.

In tal van gevallen, waarin gedeputeerde staten hun goedkeuring aan de begrooting weigerden op grond, dat daarop een, naar hun oordeel, niet toelaatbare uitgaaf voorkwam, is de tusschenkomst van de Kroon ingeroepen. In het algemeen stelt deze zich bij de beoordeeling van de vraag, of een bepaalde uitgaaf al of niet gerechtvaardigd is, op het standpunt, dat het belang van de gemeente bij die uitgaaf in meerdere of mindere mate moet zijn betrokken en dat zij de draagkracht van de gemeente niet te boven mag gaan. En die vraag is waarlijk niet altijd gemakkelijk te beantwoorden. Men raadplege daarvoor slechts de verschillende koninklijke besluiten, welke in den loop der jaren zijn genomen. Intusschen zal het vraagstuk, hoever de macht van gedeputeerde staten in deze reikt, niet kunnen worden opgelost, zoolang de grenzen van hun bevoegdheid op dit punt niet bij de wet zijn vastgelegd. Of dit echter in de practijk uitvoerbaar is, laten wij in het midden.

Indien gedeputeerde staten hun goedkeuring aan de begrooting niet hebben verleend vóór den aanvang van het jaar, waarvoor deze moet dienen, moeten zij, volgens art. 246 der gemeentewet, het gemeentebestuur machtigen uitgaven te doen uit de posten der begrooting, voor zoover daartegen bij hen geen bedenking bestaat. Tevens moeten zij daarbij het gemeentebestuur machtigen tot ontvang van zoodanige inkomsten, waartegen zij geen bedenking hebben.

Credieten op niet goedgekeurdebegrooting.

Sluiten