Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

218

FINANCIEEL BEHEER ONDERDEELEN GEMEENTEZORG

Armenraad.

verpleegden woonplaats hadden in den zin van het burgerlijk wetboek ten tijde van de aanvraag der rechterlijke machtiging tot plaatsing in een gesticht. Kan die woonplaats binnen het rijk niet worden aangewezen, dan worden de kosten uit 's rijks kas betaald. Voor arme krankzinnigen echter, die ten tijde dat de rechterlijke machtiging wordt aangevraagd, staan onder de voogdij van een vereeniging, stichting of instelling, als bedoeld in art. 421 van het burgerlijk wetboek, welker zetel in een andere gemeente is gevestigd dan waar zij vóór hun plaatsing onder voogdij woonplaats hadden in den zin van het burgerlijk wetboek, worden de kosten voldaan uit de kas der gemeente van laatstbedoelde woonplaats en, indien de woonplaats binnen het rijk niet is aan te wijzen, uit s rijks kas.

De bedragen, welke de besturen van krankzinnigengestichten en van inrichtingen en woningen of gedeelten van inrichtingen en woningen, bij koninklijk besluit aangewezen krachtens art. 7, tweede lid, 2°., der wet van 27 April 1884, S. 96, aan de gemeenten voor de verpleging van arme lijders in rekening mogen brengen, mogen de bij algemeenen maatregel van bestuur vast te stellen bedragen niet te boven gaan. )

In de ten laste der gemeente komende kosten worden sedert 1 Januari 1924 geen rijksbijdragen meer ontvangen. Wel kennen verschillende provinciën aan de gemeenten daarvoor bijdragen toe. De gemeente kan verder — zooals trouwens met alle kosten van verzorging van armen het geval is — het door haar betaalde bedrag verhalen op den ondersteunde, indien hij tot teruggaaf daarvan in staat is, op zijn nalatenschap en op hen, die ingevolge de wet tot onderhoud verplicht zijn.

De kosten der krachtens de armenwet ingestelde armenraden *) komen ten laste van de gemeente, met uitzondering der wedde van den secretaris, welke het rijk voor zijn rekening neemt.

*) Zie § 18 der wet van 29 November 1935, ttiL no. 685, tot verlaging van de openbare uitgaven.

*) Bij § 14 van de wet van 29 November 1935, üM. no. 685, tot verlaging van de openbare uitgaven, heeft de Kroon zich voorbehouden om, de algemeene armencommissie gehoord, een of meer armenraden op te heffen, ook op andere gronden dan die, genoemd in art 53 der armenwet.

Sluiten