Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

23

kernvakken der economische school waar te nemen. Ik zie den organischen samenhang tusschen deze kernvakken nog niet en evenmin die speciale aanleg, die iemand voor de studie in die vakken in 't bijzonder geschikt maakt. Het wil me toeschijnen dat alles aan deze school te veel rammelt en ze daarom als inrichting van algemeen vormend onderwijs is af te keuren. Zou de parate kennis het hier niet winnen van de algemeene vorming? Ik geloof niet dat staatsrecht, burgerlijk recht, handelsrecht, handelsrekenen en handelskennis het voornaamste geestelijk voedsel kunnen zijn van onze jongens en meisjes op 15—19 jarigen leeftijd. Flinke, vlugge jongens zijn dan in den regel verzot op de wis- en natuurkundige vakken. Zij scherpen graag hun vindingrijkheid op een wiskundig probleem, zij worden bevredigd, zoowel door de experimenteele, als de wiskundige verklaring van een natuurkundig verschijnsel, ze zijn op dien leeftijd vervuld van de wonderen der techniek. Politiek, economisch of sociaal gevoel is meestal nog meer sporadisch aanwezig, de meesten zijn nog niet aan de belangstelling voor maatschappelijke problemen toe.

Natuurlijk zijn er, die minder bevredigd worden door het onderwijs in de natuurwetenschappen, maar deze, vooral ook de meisjes, vinden het tegenwicht in de talen en de letterkunde. Elk onderwijs echter, dat niet berekend is op behoefte en geestelijke capaciteit der leerlingen is tot onvruchtbaarheid gedoemd. „Grooter gevaar bestaat er niet voor de vorming van jonge geesten, dan ze te vervelen met dingen waar ze niets voor voelen" zei Prof. Symons in 1920 bij de verdediging van het voorontwerp van de tweede afdeeling van den Onderwijsraad1). De economische school moge voldoen als inrichting van hooger onderwijs, als het voorstellingsvermogen, een scherpe probleemstelling en een strikte zelfkritiek bij het middelbaar onderwijs in voldoende mate ontwikkeld zijn, als inrichting voor middelbaar onderwijs lijkt zij mij niet geschikt en dus niet gewenscht. „Uit geen dogmatisch gevonden „principium divisionis" bloeit een levenskrachtige onderwijsorganisatie op;" schreef de heer Bolkestein in 19132) en nu vraag ik me toch af of hij met deze woorden niet zijn huidig project veroordeelt. Niettegenstaande mijn afwijkende meening stel ik er echter prijs op te verklaren dat ik de grootste bewondering heb voor de wijze, waarop de heer

Zie „Reorganisatie van ons Voorbereidend Hooger Onderwijs" in 1920 uitgegeven vanwege het Departement van Onderwijs, K. en W.

a) Zie de bijdrage in „Het Vijftigjarig Bestaan van de Wet op het Middelbaar Onderwijs" (Amersfoort 1913).

Sluiten