is toegevoegd aan uw favorieten.

Bronnen voor de geschiedenis der kerkelijke rechtspraak in het bisdom Utrecht in de Middeleeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VI

verkregen deze uitgaven dan ook een officieel karakter. De kerkelijke rechters der Utrechtsche diocese moesten dus al deze voorschriften kennen en opvolgen. Voor hem, die de kerkelijke rechtspraak in het bisdom wil leeren kennen, is dus hunne wetenschap beslist noodig. Bij niet-opneming van een der voorschriften, welke door de dienaren der kerk dagelijks werden nageslagen, zou het beeld der kerkelijke rechtspraak onzuiver worden.

Nu zijn de twee incunabelen niet van geheel denzelfden inhoud; de friesche verzameling statuten bevat nog een stuk meer dan de goudsche d.d. 1484. Beide nemen de provinciale statuten d.d. 1322 op (vóór de synodale statuten), verder een (door de friesche verzameling als aanhangsel op de provinciale statuten beschouwd) bevelschrift van den kardinaal-diaken Petrus tegen de priesters, die bijzitten hielden, en eindelijk de (door de friesche verzameling aan bisschop Jan van Arkel toegeschreven) omlijning van de rechtsmacht der provisoren en dekens. Ook deze stukken mochten dus, al zijn het geen synodale statuten, in onze bronnenverzameling niet ontbreken. En dit te minder, omdat ook in de oudste handschriften, welke de synodale statuten bevatten, — het Liber Camere van den Dom en een handschrift afkomstig van de kerspelkerk te Ootmarsum — de provinciale statuten en het bevelschrift zijn opgenomen. Bovendien echter bevat de friesche incunabel een uittreksel uit de door paus Martinus V op het concilie van Constanz uitgevaardigde bul tegen de bedrijvers van simonie en betreffende den omgang met geèxcommuniceerden. Het kwam mij voor, dat ook dit stuk moest worden opgenomen. Gegolden heeft het uitteraard voor het geheele bisdom, en de opneming ervan in het handboekje voor de Friesche kerkelijke rechters maakte het m. i. noodig, het hier niet te doen ontbreken op straffe van onvolledig te zijn.

Onvolledigheid dreigde evenwel ook nog van een andere zijde. De synodale statuten d.d. 1209, vernieuwd in 1236, ontbreken in de genoemde handboekjes en in de ootmarsummer verzameling, blijkbaar als toen buiten gebruik geraakt. Bij eene uitgave evenwel der synodale statuten mocht dit buiten gebruik zijn geen argument opleveren tot hunne uitsluiting. Zij zijn dus door mij opgenomen, en wel vóór de overige synodale statuten van jongere dagteekening.

Verder heb ik gemeend goed te doen door ook op te nemen de synodale statuten d.d. 1559 van den proost-aartsdiaken van