Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hare jeugd, hare frissche mooiheid, die iets supérieurs had, als het mooi van eene perzik of eene la France-roos. Haar blos was fijn, zacht overgaand in het blank van hals en voorhoofd; het blauw harer oogen donker, zweemend naar violet als hare gedachten in rust waren, soms plotseling als oplichtend, tintelend door de vonkjes eener invallende gedachte; de lijnen om neus en mond waren nog teer, slechts even aangegeven, wachtend tot het leven ze vaster en dieper zou trekken.

Ze keek even haar zwager aan.

„Waar blijft Em toch?" vroeg ze.

„Ik denk nog boven, ze heeft ons zeker niet aan hooren komen, ofschoon de jongens leven genoeg maakten, 'k Zal haar roepen."

Hij ging de kamer in; een oogenblik later kwam mevrouw van Voorten binnen. Willy sprong op, begroette haar zuster met groote hartelijkheid, lachend om Emma's verontschuldigingen over haar lang boven blijven.

„Je zoons hadden mij dadelijk in beslag genomen; anders was ik zelf wel komen vertellen, dat ik er was."

De beide zusters geleken weinig op elkander; toch hadden ze denzelfden ovalen vorm van gezicht, hetzelfde donkerblonde licht-golvende haar en schijnbaar dezelfde kleur van oogen. Toch, die van Emma waren iets lichter en daardoor gewoner; hare geheele mooiheid was minder fijn dan die van Willy, na haar trouwen spoedig verminderd, geworden tot niets meer dan banale frischheid.

Er was iets kalms en rustigs in Emma's bewegingen en ook in haar gezicht, eene zekere onaandoenlijkheid voor indrukken, terwijl Willy's

Sluiten