Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mevrouw liet zich een kus geven, zuchtte, en toen, op gewonen toon, vroeg ze: „Hoe vondt je Lize's japon?"

III.

Juni was gekomen met zomerweelde en zonneglans, nadat Mei had doen rillen, alsof de zomer nooit komen zou. Vroolijk bengelden bloemklokjes in 't gras en aan de heesters; in de duinen spreidden de duinroosjes een zacht-geel kleed over den lichtgroenen bodem.

Boschvoort lag weggedoken tusschen wuivende boomen, alleen de hooge toren in de verte zichtbaar, als een wachter over de groene omheining glurend.

Willy. in een witte japon, liep in den tuin, waar de eerste rozen hunne knoppen openden, laat, omdat ze zooveel kou hadden moeten doorstaan; de tuin liep diep in, op zij en achter het huis; naar den kant van de straat lag hij open, alleen door een laag ijzeren hek afgesloten.

Willy had geen hoed op, liet den zoelen wind met haar haren spelen. In hare oogen lag een blijde glans; vreugde over den mooien zomerdag, die een gevoel wekte van weelde en geluk.

Ze was bezig een bouquet te plukken; roode en gele rozeknoppen, enkele late donkerroodé tulpen, witte meidoorn en donkere beukenbladeren; ze vond nog een enkele sering, heel laat bloeiend, warm-roode papavers en donkere violen.

„Vindt je nogal wat?" vroeg mevrouw van Meersen, die onder een kastanjeboom zat te hand-

Sluiten