Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

buiten mag er wel met eenige conventie gebroken worden. Bent u binnen kort nog bij Eduard en Emma geweest?"

„Verleden week een dag. Zie eens, hoe vindt u dit gras? Ze wonen daar aardig en nebben maar een prettig leventje."

Willy keek even vóór zich, toen, plotseling hem aanziende, vroeg ze: „Is u bepaald een vriend van Eduard?"

„Waarom vraagt u dat?"

„Och, zoo maar. Ik geloof, dat de heeren elkaar erg gauw vrienden noemen."

„Nu ja, bij wijze van spreken. Van Voortenis eigenlijk niet meer dan een goede kennis. Maar noemen dames elkaar ook niet gauw vriendinnen?"

„Sommige wel; maar 't is eigenlijk dwaas. Aan eene vriendin moeten we ons heele vertrouwen kunnen geven."

„Zóó opgevat is vriendschap, geloof ik, heel zeldzaam. Ons heele vertrouwen geven we over 't algemeen niet licht."

„Dat is ook maar goed, anders had het geen waarde."

Ze ging zitten tegen een heuveltje en begon hare bloemen en grassen te schikken.

„Mag ik naast u komen zitten?" vroeg hij.

Ze lachte weer, en hij vond haar heel jong nu.

„Daar kan ik moeilijk ja of neen op zeggen; het bosch is niet van mij, u heeft er evenveel of even weinig recht op als ik?"

„Dan zal ik maar van dat recht gebruik maken."

Hij ging op een kleinen afstand van haar zitten, keek toe hoe ze de grassen één voor één opnam om het effect te bestudeeren.

„Hoe vindt u ons bosch?" vroeg ze.

R.L. 3

Sluiten