Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik zal mijn best doen, 't te onthouden," zei hij lachend, „misschien maak ik vanavond op de sociëteit wel kennis met mijnheer van Meersen."

„O ja, dan kunt u meteen een avond afspreken."

Ze waren nu bij de eerste huizen van het stadje gekomen.

„Mag ik nog verder met u meegaan?" vroeg George.

„Waarom niet? We kunnen Juer moeilijk achter elkaar gaan loopen."

„Maar bent u niet bang voor... de kleingeestigheid?"

Willy trok even de lippen samen.

„U heeft gelijk," zei ze koel; „ik moet even eene boodschap in deze straat doen," en met eene stijve buiging: „Mijnheer Wardorf."

Hij boog verlegen, bleef een oogenblik op dezelfde plaats staan Willy nakijken, die met vluggen tred verdween in de zijstraat.

Toen liep hij voort „Stommerik," mompelde hij.

In dat laatste oogenblik had hij den geheelen middag bedorven; de ontmoeting met dat mooie meisje in het heerlijke bosch was iets ongewoon bekorends geweest, als een liefelijke idylle, een rustpunt in den stroom van het drukke conventieleven, maar nauwelijks was hij weer in de nabijheid der menschen gekomen, of de conventie speelde hem parten. Ze moest natuurlijk denken, dat hij niet wenschte, met haar gezien te worden : hoe had hij zoo iets doms kunnen zeggen?

Als hij 't niet gedaan had, zou hij haar thuis hebben gebracht, en ze zou hem misschien eene hand hebben gegeven ; nu had ze hem laten staan met een gevoel als een bestrafte schooljongen. Hij moest de gemakkelijkheid bewonderen waarmee

Sluiten