Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik wat graag," viel Willy dadelijk in; „het zal wel interessant zijn."

„Mag ik u dan morgen verwachten ?"

„Nee, morgen niet; Maandag dan, als het u schikt," beste mevrouw.

„Maandag kan ik zoo moeielijk," zei de heer van Meersen; „je weet, dan ga ik altijd naar den Haag."

„Nu ja, ga dan voor één keer maar eens niet, om ons pleizier te doen? Zoo erg noodig is dat gaan naar den Haag toch niet."

Mevrouws stem klonk zacht-overredend. Alleen haar man hoorde het dringende er van.

Hij zuchtte en gaf toe.

Vlak voor het raam van Willy's kamer stond een kastanjeboom. Willy had hem altijd gekend, had hem liefgekregen als een oud vertrouwd vriend. Elk voorjaar bespiedde ze de zwellendeknoppen, die al vroeg de blijde boodschap brachten van lenteweelde; zomers was een gevoel van dankbaarheid in haar om zijn koele schaduw, en 's winters, als het stormde, vond ze het prettig de takken tegen de ramen te hooren tikken, als een geruststellenden groet van den trouwen wachter.

Toen ze dezen avond hare kamer binnenkwam, ging ze naar het open raam en strekte de hand uit, streek in gedachten over de donkergroene bladeren; er was iets sprookjesachtig geheimzinnigs in de diepte van het donkere loover, waar de maan doorheen trachtte te dringen.

Willy staarde" voor zich uit, hare oogen heel donker nu. Ze voelde, dat nu het groote naderde, het leven zelf, en huiverend gebogen in devotie,

Sluiten